| versie 27 januari 2026 |
| opent dit document zich zonder verhalenlijst in de kolom links, gebruik dan deze link om naar alle verhalen bij parentelen te gaan en ontdek nog meer familieverhalen. |
| Nigeria, korte verhalen |
| de ontmoeting |
|
De volgende gebeurtenis speelde zich af op een mini-bus. De Fulani zijn nomaden die met grote kudden koeien van noord naar zuid door Nigeria trekken. Omdat ze geen vaste verblijfplaats hebben, zijn ze weinig in aanraking geweest met blanken. |
![]() | Op een dag stap ik op de bus en ga naast een oude man zitten. Ik zie aan zijn tengere bouw, zijn gevlochten haar en aan het feit dat hij een staf bij zich heeft, dat hij een Fulani is. Vanuit mijn ooghoeken merk ik op dat hij me observeert. Dit is waarschijnlijk de eerste keer in zijn leven dat hij zo dicht bij een blanke vrouw is. Na een paar minuten voel ik meer dan ik zie, dat hij zich naar mij toe beweegt. Ik houd mijn adem in en blijf recht voor me uitkijken. Ik vraag me af wat hij van me wil. Dan merk ik dat hij heel voorzichtig mijn loshangende haar aanraakt. Hij voelt er aan en begint het zachtjes te strelen. Hij zegt geen woord. Ik voel me onzeker, wat moet ik doen, moet ik iets doen? |
|
De mensen om ons heen zijn opgehouden met praten en zitten gespannen naar ons te kijken. De stilte is tastbaar. In gedachten zie ik het contrast tussen zijn rimpelige donkere hand en mijn gladde blonde haar. Wat er gebeurt is ongebruikelijk maar niet alarmerend en ik ontspan me. Nu laat hij zijn vingertoppen over mijn blote arm glijden, en mijn verbeelding volgt die beweging, donkere vingers op een lichte huid. Ik kijk nog steeds niet naar hem. Toch voel ik zijn tederheid en ken ik zijn verwondering over dit andere, voor hem, zo vreemde wezen. Een diepe ontroering maakt zich van mij meester. Mijn hart gaat uit naar hem op dit bijzondere ogenblik, een moment buiten de tijd waarin twee werelden elkaar ontmoeten. Hij trekt zijn hand terug en zegt iets tegen de conducteur. De spanning is gebroken, iedereen op de bus lacht en begint te praten. Nu kijk ik naar mijn buurman en naar de anderen. Ik versta de taal niet, dus vraag ik de conducteur: 'Vertel me, wat zegt hij?' De conducteur antwoordt: "Hij zegt: Ze is mijn zuster." Het gelach en gepraat verstomt meteen, men is nieuwsgierig naar mijn reactie. 'Zeg hem,' antwoord ik, 'zeg hem, dat ik vereerd ben. Hij is mijn broeder.' Als de passagiers dit horen, lachen en juichen ze en klappen ze in hun handen. De oude man knikt bijna onmerkbaar, een kleine glimlach speelt om zijn lippen. Had hij dit antwoord verwacht? Een paar straten verder moet ik eruit. Voordat ik uitstap, kijk ik nog eens naar hem. Zijn gezicht is gesloten en zijn ogen staren in de verte. Voor hem is de ontmoeting over. |
| een lesje op de markt |
| In Nigeria wordt een vrouw aangesproken met 'Madame' als in het Frans, ondanks dat er verder Engels gesproken wordt. |
| Hoewel ik de markt gezellig vind, ga ik liever niet naar dat gedeelte waar vlees verkocht wordt. Er wordt ter plekke vee geslacht en de karkassen hangen achter de tafels te druipen. Wolken zoemende vliegen landen, als ze de kans krijgen, op de ruw afgesneden stukken vlees die op de tafels uitgestald liggen. Niet alleen stinkt het er naar bloed en lichaams-sappen, op de grond is ook een vieze bedoening. Er wordt niets weggegooid, toch is de afvalberg achter de markt aantrekkelijk voor de gieren, die hoog in de lucht rondcirkelen. De varkensslagers hebben hun plek helemaal achter in de markt. Alle kooplui hebben de neiging om de prijzen 'aan te passen' als er een buitenlander op de markt is, maar de varkensslagers verdubbelen meteen de prijs van hun vlees. Ik hoef hier niet te komen, want Fabian haalt vlees op de markt aan de overkant van de rivier. Hij koopt alleen rundvlees, ondanks dat we allemaal van varkensvlees houden. Vooral Lawrence vindt het in de oven gebraden vlees met zo'n lekker bruin knapperig korstje, erg lekker. Als ik naar de tafels aan het eind van de markt loop om varkensvlees te kopen, probeer ik zo weinig mogelijk te ademen en niet op de vliegen te letten. Er staan vandaag drie slagers. Ik bekijk het vlees dat op hun tafels ligt. De slager aan de rechterkant trekt mijn aandacht door me een mooi stukje vlees te tonen. Hij zegt: 'Ma'am, voor u vijftien Naira.' Ik trek een verontwaardigd gezicht en zeg: 'Doe niet zo mal, man, ik will alleen een klein stukje, niet een heel varken!' Zijn collega's lachen. We beginnen te pingelen en worden het uiteindelijk eens op zeven Naira. De slager naast hem, die het afdingen met belangstelling gevolgd heeft, roept uit: 'Madame, Madame, kijk eens!' en hij houdt eenzelfde stuk vlees omhoog en snijdt een klein stukje, de grote van een walnoot, van een andere bout af. 'Hier', zegt hij en legt het kleine stukje met een weids gebaar bij het reeds getoonde vlees. 'Madame, dit alles voor zeven Naira.' Ik kijk naar wat hij te bieden heeft. De derde slager kijkt geïnteresseerd toe. 'Mmmm', zeg ik en besluit deze slagers een lesje te leren. 'Madame,' de eerste slager laat het niet op zich zitten, 'kijk hier,' en ook hij legt er een stukje bij. Zo gaan ze nog een paar keer door. Dan vraag ik de eerste slager: 'Zeven Naira dat allemaal?' terwijl ik naar het hoopje vlees wijs. 'Ja,' hij knikt heftig alsof hij me ervan wil overtuigen dat het goed is als ik bij hem koop. 'Goed dan,' zeg ik langzaam, 'geef het mij.' Hij rolt snel het vlees in een krant, terwijl hij zegevierend naar zijn buurman kijkt. Deze trekt een lelijk gezicht, dat nog lelijker wordt als ik tegen hem zeg: 'En ik wil ook dat vlees van jou.' De eerste slager kijkt nu ook boos en zegt iets in een taal die ik niet begrijp. Het klinkt niet erg vriendelijk. De derde slager kan het niet laten om te lachen en flink commentaar te leveren. Ik betaal beiden met gepast geld en ga er gauw vandoor met mijn pakjes terwijl de harde boze woorden van de slagers me achtervolgen. Voorlopig kan ik beter wegblijven van dit gedeelte van de markt. |
| Kwararafa Quarters |
|
Het is warm en de vochtigheidsgraad van de lucht is hoog. Ik ben doodmoe in mijn benen van de zware lucht. De onweersbuien komen met de regelmaat van de klok terug, de eerste ochtend was dat om ongeveer zes uur, de dag erop om twaalf uur en de dag daarop om zes uur 's avonds en zo door. Het regen seizoen loopt in oktober af, dus we houden de benauwdheid, de modder en de weggeslagen stukken in de ongeasfalteerde straten nog een poosje. De generator, die normaal 's ochtends van zeven tot tien uur draait om de hele wijk van elektriciteit te voorzien, blijft vandaag stil. Er is zeker weer geen diesel aangeleverd. Het is te hopen dat de olie gauw komt, zodat we vanavond wel 'licht' hebben, en de plafondventilator kan draaien. Het lijkt wel of de warmte 's avonds in het donker nog verstikkender is. In de avond is de generator zwaar belast, in plaats van de normale 220 volt, krijgen we maar 180 of 140 volt. Het licht van de schemerlampjes aan de muren is dus veel minder sterk. Ik krijg er hoofdpijn van. Om negen uur ben ik al doodmoe en klaar om naar bed te gaan. Fabian is dan toch weg, naar vrienden of naar de Makurdi Club om mensen te ontmoeten en te drinken. Om de verveling te doorbreken, werkelijk, ik word gek van dit lege huis en van het niets om handen hebben, daarom besluit ik de moed te verzamelen om met de kinderen naar Fabians kantoor te gaan. Tot nu toe durfde ik nog niet naar buiten, tenzij we met z'n allen gingen met Fabian in de pick-up. De kinderen gaan mee want de scholen zij nog niet begonnen, het is pas begin september. De jongens weten de weg, ze zijn al zo vaak met de chauffeurs mee geweest, die elke dag water brengen. En zo gaan we op weg, de kinderen begeleiden me alsof ik een blinde ben, eerst de lange lege straat door, dan de Hospital Road op waar men aan het werk is om hem op te hogen. Weer linksaf tot aan de rotonde bij de bank. Nergens is een trottoir, we lopen langs de kant van de weg, aangestaard door iedereen. Tegenover de bank is het terrein van Publieke Werken, afgezet met een hoog hek van rasterwerk. Fabian kijkt verbaasd als we binnenkomen: 'Hallo, wat komen jullie doen?' 'We waren het zat om thuis te zitten.' Er zit een dame voor zijn bureau, een blanke vrouw met grijs-blond haar. Ze draait zich om: 'Hi, zo jij bent Fabians vrouw, wat leuk om je te ontmoeten, je bent pas in het land,hé?' zegt ze met een Amerikaans accent. Ik knik opgelucht om eens een 'blank' gezicht te zien. Fabian stelt ons aan elkaar voor. Ze blijkt Joyce te heten en de weduwe van een zendeling te zijn. Ze komt nog steeds naar Nigeria terug om les te geven aan de school waar de jongens binnenkort naar toe gaan. 'Ik ben hier om je mans hulp in te roepen voor mijn airco, die heeft het opgegeven.' Ze lacht tegen de kinderen en zegt dan weer tegen mij: 'Jullie gaan met mij mee naar huis,' en tegen Fabian: 'Ik breng hen vanmiddag wel thuis, dus Duru, maak je geen zorgen.' En zo neemt ze ons mee naar haar bungalow. De kinderen krijgen boeken om in te kijken en ik stort mijn hart uit bij deze vriendelijke vrouw. Ze weet precies wat er aan de hand is. Ook het communicatieprobleem begijpt ze. Ik blijf maar herhalen: 'Eindelijk eens iemand die meteen weet wat ik bedoel.' Ze geeft ons lunch, echte lunch met bruin brood, boter, kaas en een slaatje. Deze lekkernijen haalt ze in Jos, waar veel buitenlanders wonen in verband met de tinmijnen. Dan heeft ze voor mij een geschenkje: een borduurpakket. Ze kan niet vermoeden, dat ze er mijn leven mee redt. |
| huisjongens |
|
Samuel werkt nu al een poosje bij ons. Hij vraagt Fabian om opslag. Fabian weigert. Ik ben boos, de jongen werkt prima, maar het helpt niets, Samuel vertrekt. De volgende huisjongen die ik toegewezen krijg, is Musa, een aardige jongen van de Hausastam. Hij lijkt me niet erg geschikt om huisjongen te zijn. Samuel bleef afstandelijk, maar Musa is vriendelijk en maakt graag een praatje. Jammer genoeg spreekt hij alleen Hausa en ik alleen Engels. Fabian spreekt vloeiend Hausa, omdat hij in het noorden heeft gewoond, dat Hausa gebied is. Als er een probleem is, moet dat wachten tot Fabian thuiskomt! Misschien kan ik wel Hausa leren. In de stad is de boekwinkel van mijnheer Dele. Hij is voormalig advocaat en verkoopt nu in zijn grote sombere winkel studie- en schoolboeken. Flitsende pockets koop je alleen bij Cyril's Supermarkt. Na lang zoeken vindt mijnheer Dele het tweede deel van een cursus Engels voor Hausa's. Ik koop het toch maar en samen met Musa leer ik met moeite een paar woorden. In deze tijd word ik steeds nerveuzer en huil ik om alles tot ik gewoon loop te trillen op mijn benen. Fabian neemt me mee naar zijn vriend Joe, in het ziekenhuis, die gynaecoloog is. Joe schrijft me pillen voor die ik drie maal per dag moet innemen na de maaltijd. Een half uur na het innemen word ik zo slaperig dat ik tot de volgende maaltijd slaap, zo gaat dat een week lang. Musa is erg bezorgd over dit vreemde gedrag van mij, en spreekt Fabian er op aan: 'Mijnheer, wat heeft u met Madame gedaan, ze slaapt de hele dag.' Ik heb nooit geweten of de slaapkuur de bedoeling is geweest of dat de medicijnen te sterk waren voor mij. De fysiek van Nigeriaanse vrouwen is heel wat robuuster dan die van mij. Hoe dan ook, het slapen heeft in ieder geval goed geholpen, voor een tijdje ben ik weer een nieuw mens. Al spoedig gaat Musa weg, zijn broer in Kano heeft hem nodig. Er volgen twee huisjongens die elk nog geen week blijven, de ene is lui, de ander vies. Nu brengt Fabian Thomas mee. Hij is een opgeruimde jongeman van de Tivstam en een jaar of achttien. Hij is leergierig en niet bang om zijn mening te uiten. Alleen als Fabian er is, houdt hij zich in. Hij is als kind in huis, praat en lacht veel met de kinderen en biedt zelfs aan mijn nek te masseren als ik hoofdpijn heb. Ik heb een idee dat hij een beetje verliefd is op mij. Aan alle nieuwe dingen waarmee hij geconfronteerd wordt, geeft hij zijn onverdeelde aandacht. Je ziet dat hij het toetst aan wat hij al weet en het een hoekje in zijn brein geeft. Daarna is hij zo blij, dat hij bijna dansend de verdere dag doorbrengt. Omdat er in Makurdi geen bloemen of planten te krijgen zijn, heb ik een vaas met takken en bladeren op tafel gezet. Thomas kijkt er eens goed naar en zegt dan: 'Ma'am, waar is dat goed voor, je kunt het toch niet eten?' Als ik hem uitleg dat het de kamer gezellig maakt, houdt hij zijn hoofd schuin alsof hij het overweegt en gaat dan zonder commentaar maar met een blij gezicht naar de keuken. Fabian zet 's morgens speciaal voor mij de generator aan zodat ik de was kan doen. Thomas leert met de wasmachine te wassen. Hij voelt zich geweldig. Ook krijgt hij, omdat hij in een gehucht buiten de stad woont, het gebruik van Fabians fiets. Zijn verrukking gaat alle beschrijving te boven. Ik merk wel dat hij weinig uithoudingsvermogen heeft. Als we op een ochtend alle grote handdoeken in de wasmachine wassen en daarna aan de lijn hangen, is hij de volgende paar dagen moe. Het kan aan de voeding liggen, want aan zijn enthousiasme ligt het niet. Het is duidelijk dat er in het povere dieet van yam, casava en saus meestal zonder vlees, en zo nu en dan peulvruchten, weinig noodzakelijke voedingstoffen zitten. Na verloop van tijd gaat Thomas met veel tegenzin weg, zijn ouders willen dat hij op hun boerderij komt helpen. In Ankpa Quarters komt er, als huisjongen, een getrouwde man van in de dertig. Hij is een geweldige kok want hij heeft bij een Italiaan gewerkt. Voor huishoudelijke taken is hij niet erg geschikt. Hij gaat naar de markt over de brug, want daar, zo zegt hij, kan hij betere en goedkopere yam krijgen. Hij blijft op die manier het grootste deel van de dag weg. Later ontdek ik dat hij zelf een winkeltje heeft en daar de nodige voorraden voor moet halen. Hij blijft tot er iets voorvalt dat een meningsverschil uitlokt, dan gaat hij weg. Michael komt in de zomervakantie, hij studeert aan het seminarium voor priester en wil wat bijverdienen. Hij moet voor de kippen zorgen, maar hij gaat liever voetballen. Geef hem eens ongelijk. Fabian laat hem in de garage slapen. In de boys' quarters heb ik mijn atelier en omdat het er erg warm is, bijna de hele dag staat daar de zon op, heb ik een staande ventilator. Op een dag is er iets veranderd in dat atelier en ik realiseer me dat de ventilator weg is. Ik sta er niet bij stil, maar als ik een paar dagen Michael in de garage ga roepen, ligt hij onder de draaiende ventilator. Ik ben echt boos, maar klagen bij Fabian heeft geen zin. Als die jongen me om de ventilator gevraagd had, prima, dan had hij hem kunnen krijgen, maar dit vind ik stelen. Niemand begrijpt mijn houding, Michael nog wel in het minst. Dan krijgen we een jongeman die er wat uitgemergeld uitziet. Omdat we iedere dag wel een paar gekneusde eieren hebben, zeg ik tegen hem, Francis, dat hij best een ei mag nemen. Wie schets mijn verbazing als hij zegt: 'Nee, Madame, dat wil ik niet, want dan went mijn lichaam eraan, en als ik hier wegga, dan heb ik niets meer.' In Katsina Ala Street komt de jongere broer van Josephine bij ons wonen, hij heet Anthony maar wordt Chi Chi genoemd. Met veel moeite kan ik Fr. Avery ertoe krijgen om Chi Chi een plaats in de school te geven. Hij komt als eerstejaars bij Hopman in de motortechniek groep. Chi Chi is een gezellige jongen om in huis te hebben, hij is als een zoon voor mij. Samen zijn we in de keuken bezig om maaltijden te bereiden, wat onder veel gelach en geplaag gebeurt. Fabian komt nog steeds meteen na zijn werk thuis om te eten en te douchen voor hij naar de Club gaat. Op een dag 'betrapt' hij Chi Chi en mij als we aan het gekken zijn in de keuken. Oom Fabian kijkt erg lelijk en vraagt mij later om uitleg. Het lijkt wel of Fabian jaloers is. Hoe dan ook, Fabian is niet zo gelukkig met Chi Chi, hij geeft hem de idiote opdracht om de hele avond bij het hek te wachten tot hij thuiskomt. Als Fabian vroeg is, komt hij om elf uur thuis, maar vaak is het later. Op een avond is Chi Chi in slaap gevallen, logisch, de jongen is de hele dag in de werkplaats, en dan moet hij 's avonds wakker blijven. Fabian is woedend omdat hij zelf de poort moet openmaken! Hij stuurt Chi Chi de volgende dag naar huis. Wat ik ook zeg, Fabian is niet te vermurwen. Josephine, de moeder van mijn Josephine, Victor en Chi Chi, komt helemaal vanuit Onitsha om haar broer te smeken Chi Chi terug te nemen, maar Fabian blijft bij zijn besluit. Dat is des te vreemder, omdat Josephine zijn meest geliefde zus is. Zij ging met hem mee toen hij in de bush als onderwijzer werd aangesteld. |
| in Kwararafa Quarters |
|
Selene is veel met Winnie samen, Lawrence laat zijn nichtje een beetje links liggen en met Alexander kan ze niet overweg. Dat komt misschien omdat hij een plaaggeest is. Ze vechten steeds met elkaar. Op een dag zijn Selene en Alexander aan het bakkeleien op de binnenplaats. Lawrence en Winnie zitten erbij. Ik ben in de keuken bezig. Als ik op het geschreeuw van de twee vechtjassen afkom, zie ik dat onze hond Scamp zenuwachtig om hen heen draait, alsof ze niet goed weet, wat ze moet doen. Ze kent beide kinderen. Ze weet dat er iets niet in orde is, dat ze iemand moet 'redden' maar ze weet blijkbaar niet wie. Op dat moment komt Sue het huis binnen, loopt de kamer door en gaat meteen door de hordeur de binnenplaats op. Ze ziet de vechtende kinderen en zonder te denken, vliegt ze op hen af en probeert hen uit elkaar te trekken. 'Niet doen, hou daar mee op!' Scamp weet nu plotsteling wat haar te doen staat, ze vliegt Sue aan en grijpt haar bij de arm. Sue is meteen helemaal in paniek, want Scamp heeft doorgebeten. 'Je moet je er ook niet mee bemoeien,' zeg ik nog, maar ze is al weggesneld. Later horen we van Fabian, dat ze naar het ziekenhuis gegaan is voor een injectie tegen hondsdolheid. Maar met eentje is ze nog niet klaar. Ze moet iedere dag naar het ziekenhuis voor een injectie tot ze er vijf gehad heeft. En ik heb gehoord, dat ze erg pijnlijk zijn. |
| in Ankpa Quarters, Selene |
![]() | Ik heb niet alleen geen toegang tot Fabian, ik schijn ook niet door te dringen tot Selene. Min eigen kinderen en de huisjongens zijn heel anders. Het is niet zo, dat ik mijn eigen zin wil doordrijven, ik zoek begrip en samenwerking. Ik zit in een dilemma: als Nederlandse stuit het me tegen de borst om een kind, een nichtje, als hulp in de huishouding te gebruiken. Selene geeft echter niet de indruk een kind te zijn, ondanks haar leeftijd. Ze is nu bijna dertien. Ik merk al gauw dat ik niets bereik door haar als een van mijn eigen kinderen te behandelen. Zoals altijd, is er niemand met wie ik over dit probleem kan praten. Ik verwacht van Selene dat ze me helpt, maar het is net alsof ze slaapwandelt. Haar uitdrukkingsloze gezicht en haar onverschilligheid irriteren me mateloos, om niet over haar luiheid te spreken. Mijn frustraties richten zich meer en meer op haar. Thuis heb ik geleerd, dat als je geen zin hebt, dan moet je zin maken. Ik ben lang genoeg in Nigeria om te weten, dat vrouwen moeten aanpakken, anders komt er nergens wat van terecht. In huis is niet veel te doen, maar er zijn dingen, zoals de honden eten geven, die op tijd moeten gebeuren. Omdat ik niet tot Selene door kan dringen, schreeuw ik tegen haar. Ik gooi met borden en kommen. Ik zit haar voortdurend achterna met mijn op- en aanmerkingen. Ik blijf altijd de toeschouwer in alles wat ik doe. Mijn smijtgedoe is eigenlijk de onderstreping van wat ik zeg. Het is niet bepaald bedoeld om Selene wat aan te doen. Ik heb haar nooit geslagen, ook al heeft Veronica, haar moeder, me daar toestemming voor gegeven, slaan is iets wat ik niet kan. Van Fabian krijgt ze wel klappen als ze 's avonds niet snel genoeg uit bed komt om eten voor hem klaar te maken. |
|
Op een dag loop ik langs de meisjeskamer. Er hangt een rare lucht. Als ik mijn neus achterna ga, blijkt dat er natte lakens in de kast gepropt zijn. Selene plast in bed. Winnie komt me vertellen dat Selene naast de boys' quarters een plas zit te doen en ze doet er ook haar behoefte. Selene laat alle berispingen over haar heen gaan. Als ik Fabian vertel dat Selene het toilet niet gebruikt, haalt hij zijn schouders op en zegt: 'Straf haar dan.' In die tijd wist ik niets van de problemen van de puberteit en er is ook niemand met wie ik hierover kan praten. Dat zou ik wel gekund hebben met Mrs Ackaa, maar die heeft een auto een dodelijk ongeluk gehad. Na verloop van tijd wordt Selene 'wakker'. Ze begint mee te werken en krijg er plezier in om me te helpen. Van onder alle gemelijkheid komt een zorgzame jonge vrouw tevoorschijn, die uit zichzelf thee voor me zet als ik hoofdpijn heb, die bemiddelt tussen mij en buitenstaanders en die me overal mee helpt. Ze leert koken, niet alleen Nigeriaanse gerechten, ook Engelse schotels evenals brood en cake bakken, en yoghurt maken. Als ze me, op een dag, vertelt dat ze bloedt, begin ik een gesprek met haar over vrouw worden, mannen, baby's krijgen en wat dies meer zij. Het enige wat ze me vraagt is: 'Hoe moet ik er vanaf komen, als ik zwanger wordt?' Ik kijk vreemd op van die vraag, en begin haar uit te leggen, dat ze beter niet zwanger kan worden, dan is het leven veel eenvoudiger. Ze wil niet luisteren maar herhaalt haar vraag. Ze ontdekt haar seksualiteit, die ze op Thomas uitprobeert, en als ze dan in de boys' quarters mag slapen, komt ze in de problemen. Door de komst van Josephine, schuift Selene een plaats op in de hiërarchie. Ze probeert José haar klusjes op te laten knappen. Josephine is echter niet van gisteren. Ze komt altijd bij mij navraag doen als ze het niet vertrouwt. Nu Josephine erbij gekomen is in de slaapkamer, mag Selene mijn naaikamer in de boys' quarters hebben, die ik toch niet meer gebruik. Na een paar weken valt het me op dat Selene zo snel klaar is met haar werk. De afwas wordt zonder protest en meteen gedaan. Josephine komt op een dag naar me toe: 'Tante,' zegt ze, 'Selene doet zo raar.' 'Wat is het dan?' 'Ik had haar was en toen ik klopte, riep ze door de dichte deur: 'Leg maar voor de deur neer!' Winnie komt dezelfde dag met de mededeling, dat Emeka van de buren, gezien heeft, dat Selene een jongen in haar kamer heeft. Ik roep Emeka, die het bevestigt. 'Josephine, ga jij Selene eens roepen, dat ze cake moet komen bakken, dan ga ik achter de boys' quarters kijken.' Josephine gaat met een glunderend gezicht haar nichtje roepen. De ramen aan de achterkant van de boys' quarters zijn gewone ramen. Er zijn ook geen ijzeren staven aangebracht. Ik loop snel door het gangetje naar de keuken. Vanuit het raam van het gangetje kan ik Selene's kamerraam in de gaten houden. En warempel, een jongen glipt behendig uit het raam en rent de andere kant op. 's Avonds vertel ik het aan Fabian, die Selene meteen op het matje roept. Behalve een flink standje, moet ze ook weer in huis komen slapen. De jongen, die haar opzocht, is een neef van de buurvrouw. Fabian gaat met zijn tante praten en ik neem aan, dat de jongen eveneens een uitbrander krijgt. |
| op St. Joseph's |
|
In het natte seizoen, en ook daarna nog, overstroomt de Benue Rivier het land dat erlangs ligt. Een paar jaar lang hebben een aantal jongens en ik de waterstijging gedurende en na het natte seizoen gemeten. St. Joseph's Trade Centre was vroeger een scheepswerf, de scheepshelling is er nog. Iedere dag daalden een paar jongens in die helling af om een streep op de muur te zetten waar het water die dag stond. Zo gauw de rivier ging zakken, hebben we uitgerekend hoe hoog het water gerezen was. Het hoogste dat we registreerden was een stijging van dertien meter. |
![]() | Op een dag, gedurende een les, zie ik de boot van de rivierpolitie heen en weer varen. Het is een speedboot en hij maakt veel herrie. We horen ook geschreeuw. De jongens, meer geïnteresseerd in de ongebruikelijke commotie dan in de les, lopen naar de ramen. Ze rekken hun nek om wat te zien en praten opgewonden met elkaar. Ik zie dat er studenten uit de werkplaatsen komen, daarom zeg ik: 'Kom, dan gaan we kijken wat er aan de hand is.' Een aantal leraren staat achter het gebouw waar Fr. Avery zijn kantoor heeft, en vanwaar we de rivier kunnen overzien. 'Wat is er aan de hand?' vraag ik als ik me bij hen voeg. 'Er is een nijlpaard in de rivier, kijk maar, hij heeft de vissers lastig gevallen. De politie moest komen, want er is een bootje omgeslagen.' Ik zie de boot maar er zijn geen mensen in het water. Er is wel een grote grijze massa die in de buurt van de boot blijft. Hij gaat onder en komt weer opduiken. 'Wat gaan ze doen? Is het niet gevaarlijk voor de vissers?' Er zijn wel een paar bootjes op het water, maar die zijn dicht bij de oever. |
|
'De politie wil het beest afleiden, kijk maar.' De politie en de grijze gedaante verdwijnen in de richting van de stad. Dan horen we schoten. Het gebeurt nu allemaal te ver weg om duidelijk te zien wat er zich afspeelt. Later vertelt de tuinman van de school, dat de politie ter hoogte van de markt het nijlpaard doodgeschoten heeft en het aan wal heeft getrokken. Bij het wisselen van de klas, kom ik Father Avery tegen. 'Zo, je ziet hier nog eens wat, nietwaar?' groet hij me. 'Ik wist niet dat er nijlpaarden in deze rivier zitten.' 'O, ze zijn er, maar ze komen niet vaak dicht bij de stad. Het zijn goedige beesten alleen als ze kwaad gemaakt worden, kunnen ze doden.' 'Zoals vissers die te dichtbij komen?' Hij knikt: 'Gelukkig is er niemand gewond geraakt.' Het dode nijlpaard blijft enkele dagen op de oever van de rivier liggen zodat de mensen het kunnen bekijken. Een dag nadat het geschoten is, tronen mijn studenten me mee om het te zien. Het nijlpaard is kolossaal. Ik wil niet dichtbij komen want ik kan het al ruiken. Het beest wordt een paar dagen later in stukken gesneden die op de markt verkocht worden. |
| om en rond St. Joseph's Trade Centre |
|
Mijn oude Volkswagen Kever heeft kuren, hij slaat wel eens af op een kruispunt, en als je de motor afzet en hem dan weer wil starten, moet je eerst de drijfriem wat draaien, of de auto duwen. Dat is vervelend want ik heb de auto nodig om naar St. Joseph's te gaan. Op een dag ga ik in de korte pauze naar de bandenreparateur die verderop aan de Bank Road zijn werkplaats heeft. Deze openluchtwerkplaats ligt net over de rotonde, op een stukje braakliggende grond. Bij de rotonde zijn twee politieagenten bezig met een autocontrole. Een van hen, een grote knappe man, houdt mij aan. Ik laat de motor pruttelen. 'Papieren!' beveelt hij met barse stem. Ik pak de autopapieren uit mijn tas en zorg ervoor dat ik ze hem met mijn rechterhand geef. Ooit heb ik een hele tirade moeten aanhoren, omdat ik mijn linkerhand had gebruikt om iets te overhandigen. Blijkbaar is dit zeer onopgevoed, daar de linkerhand gebruikt wordt om jezelf af te vegen na de toiletgang. Ze moesten eens weten dat ik daar mijn rechterhand voor gebruik! Terwijl hij me mijn papieren teruggeeft, ondervraagt hij met dezelfde strenge stem: 'Heeft u een reservewiel?' 'Ja, onder de kap.' De band is lek, maar dat gaat hem niet aan. 'Heeft u een gevarendriehoek?' 'Nee, die heb ik niet.' Sinds kort moet elke automobilist zo'n driehoek in zijn auto hebben, maar ik ben er nog niet aan toegekomen om er een te kopen. 'Dus u heeft geen reservewiel!' 'Jawel, ik zei dat hij onder de kap lag.' 'Maar u heeft geen driehoek!' 'Nee .....' 'Ok, zet de wagen maar aan de kant, want ik neem u nu mee naar het gerechtshof.' Normaal gesproken zorg je er in Nigeria voor, dat je veel respect toont voor autoriteit. Vandaag echter voel ik me roekeloos en denk: Zo gaat dat niet, mijnheer agent. Je krijgt ook geen 'dash' van me, mocht je dat soms denken. Ik rij mijn auto in de berm en zet de motor af. De agent is vlak bij de wagen als ik uitstap. Met mijn linkerhand in mijn zij, buig ik iets naar links in een uitnodigend gebaar en zeg vrolijk: 'Kom op, dan gaan we samen naar de rechtbank.' Hij lacht en al zijn uiterlijk vertoon van autoriteit is weg. Als een gewone man wil hij van alles over me weten. Als ik zeg dat ik Engelse les geef op die school daar, en ik wijs in de richting van St. Joseph's, wil hij ook wel Engelse les, bij voorkeur privéles, natuurlijk. 'Kijk, 'zeg ik,' ik was op weg naar de monteur, de motor wil niet starten dus doe me een plezier en geef me een duwtje.' Al krijgt hij geen privéles, mijn auto duwen wil hij wel. Bij de bandenreparateur staat een taxi te wachten. Ik parkeer naast hem op de met olie doordrenkte aarde tussen de troosteloze wrakken, banden en onderdelen die her en der verspreid liggen. De taxichauffeur kijkt op, ik glimlach en groet hem op vriendelijke toon. Even zie ik verbazing op zijn gezicht, dan groet hij terug, grinnikt hardop en begint een vrolijk deuntje te fluiten, zijn dag is goed. Als ik op mijn weg terug langs rotonde kom, staan de politieagenten nog steeds te controleren. Ik zwaai naar mijn agent en hij zwaait terug met een grote grijns op zijn gezicht. Het was slechts een blije glimlach, zo gemakkelijk om te geven, maar het zorgt voor een goed gevoel. Ik ben het niet eens met de 'dash' die voor alles gegeven wordt, en ik geef ook nooit iemand geld om zijn werk te doen. Behalve die ene keer, maar dat was geen geld, maar een glimlach. |
![]() |
Ik moet mijn rijbewijs laten verlengen. Daarvoor ga ik naar een loket dat ergens bij een officiële instantie staat. Er zit een man in die rijbewijzen afstempelt. Als ik er kom, staat er een lange rij mensen te wachten. Langs de rij loopt een man, die zo nu en dan met iemand smoest en geld ontvangt: die persoon mag dan naar voren gaan en wordt meteen geholpen. Ik ben langer dan de meeste mensen hier, en daarom kan ik over de lange rij voor mij heen kijken. De man in het loket kijkt op en ziet mij, blank met lang blond haar. Ik glimlach naar hem, en hij lacht terug. Hij wenkt de man die langs de rij loopt, deze komt even later naar me toe om me mee naar voren te nemen. Ik krijg meteen een stempel in mijn rijbewijs. Over dashes gesproken!> |
| brand |
|
De oude Kever die Fabian me gegeven heeft, blijkt levensgevaarlijk te zijn. De motor heeft kuren, het stuur vertrouw ik niet en de remmen zijn slecht. Op een ochtend ben ik halverwege de school, als de remmen het helemaal niet meer doen. Ik rij stapvoets verder. We hebben immers een autotechniekafdeling op school, misschien kunnen de studenten de remmen repareren. Heel voorzichtig sla ik bij de T-kruising linksaf en kom op de weg waar om deze tijd veel van onze jongens naar school lopen. 'Hé, Madame!' Door het zijraam hoor ik ze roepen: 'Kan het niet wat sneller, u komt te laat, o!' Onder veel gelach en gestoei omsingelt een groep jongens de auto en begeleidt me naar school. De remmen worden gerepareerd en de jongens van de motorshop halen punten voor hun rapport. Ik word erg populair op school. De oude Volkswagen pruttelt nog steeds door. Op een morgen rijd ik op hetzelfde stuk waar ik indertijd stapvoets moest rijden in verband met de remmen. De jongens wuiven zoals gewoonlijk naar me. Dan begint er eerst een en dan meer jongens te wijzen en te roepen: 'Madame, kijk, kijk .....!!' Ik wuif vrolijk terug, en pas als een van hen schreeuwend en gesticulerend op de auto afrent, kijk ik om en zie een hoop rook door mijn achterruit. Ik trap op de rem en stop. Een paar derdejaars studenten zijn meteen bij de auto, rukken het portier open en roepen: 'Madame, de motor staat in brand, gauw, gauw, draai hem af en kom eruit!!' Ik doe wat ze zeggen en kom snel uit de auto. Een van de studenten duikt de wagen nog in en komt met een armvol schriften en boeken weer naar buiten. We staan allemaal beduusd naar mijn rokende autootje te kijken. 'Jij,' zeg ik, 'en jij' en wijs twee jongens aan, 'weten jullie waar het kantoor van Mr. Duru is?' Ze knikken. 'Wil je daar dan naartoe gaan en hem zeggen wat er gebeurd is, dat mijn auto hier staat? Ik zal je meester wel zeggen waarom je te laat op school komt.' Fabian laat de auto ophalen en meteen naar de sloop brengen. Ik hoef niet meer bij Mr. Mpozi van de autotechniekafdeling te bedelen of hij hem wil repareren. Voortaan brengt Fabian me naar school en ga ik met de bus of lopend terug naar huis. |
| de school |
|
De school begint langzamerhand een grote plaats in mijn leven in te nemen. Het lesgeven, het huiswerk nakijken en de proefwerken samenstellen, leggen beslag op veel van mijn tijd. Makurdi was zo'n zes, zeven jaar terug niet meer dan een dorp, een paar huizen bij de spoorbrug. De jongeren, die uit het dorp en de omliggende gehuchten naar Lagos trokken, kwamen niet terug. Pas toen de Staat Benue tot stand kwam en Makurdi hoofdstad werd, keerden een aantal van de mensen die van hier waren, terug. De leeftijden van de studenten variëren daarom erg, er zijn er veel van ver in de twintig. Een aantal van hen is al getrouwd en heeft kinderen. In de volgende jaren zal de leeftijd van de eerstejaars steeds lager worden en komen de jongens rechtstreeks van de lagere school. Als ik een volle klas heb, zijn er 45 jongens. Ze hebben de meest fantastische namen. Het zijn geen gemakkelijke namen om te onthouden. Tot mijn verbazing herken ik de jongens al heel gauw aan hun gezicht, bouw en lichaamstaal. Hun stemmen zijn laag, de woorden worden slecht uitgesproken en gearticuleerd. Ik vind het moeilijk om te horen wat ze zeggen, mede omdat mijn gehoor niet zo goed is. Om dit ongemak op te vangen, circuleer ik veel door de klas om nabij de spreker te zijn. Mijn andere taak is het samenstellen van tentamens. En ik moet ook de jongens die een plaats in de school willen in het nieuwe schooljaar, interviewen en een mondeling en schriftelijk examen in Engels afnemen. Verder wil Fr. Avery dat ik bij de avonden van ouders en leraren ben. Dat heeft tot gevolg dat er vaders zijn, die mij om opvoedadvies komen vragen. Wat weet ik daar nou van, hun cultuur is zo anders. |
|
Kinderen, die in een dorp naar de lagere school gaan, krijgen les in hun eigen taal. Engels wordt als een aparte taal geleerd. Pas in de 5de en 6de klas worden de lessen in het Engels gegeven. Op een school in Makurdi zitten kinderen van meer dan een stam bij elkaar in een klas. De lessen zijn vanaf het begin in het Engels. Daarom zijn er veel kinderen, die amper Engels, dat toch de voertaal van Nigeria is, spreken of verstaan. Kinderen uit de dorpen komen er wat Engels betreft beter vanaf dan hun stadsgenoten, temeer daar de onderwijzeressen er zelf maar weinig vanaf weten. Woorden moeten geleerd worden bij gehoor alleen, vooral in het begin, en er zijn veel woorden die bijna gelijk klinken. In de stamtalen wordt de verleden tijd niet gebruikt. Dat veroorzaakt veel verwarring. Bij de meeste kinderen wordt thuis alleen de stamtaal gesproken. Op straat is er Pidgin Engels, een soort verbasterd Engels, met veel eigen woorden. Het is meteen te merken, of jongens bij ooms wonen, die zelf een opleiding gehad hebben. Hoewel ik dit niet wist, heb ik er vanaf het begin op gestaan, dat er bij ons thuis alleen Engels gesproken wordt door de huisjongens en de nichtjes. Mijn kinderen spreken vanzelf al Engels, en zij hebben nooit echt een stamtaal geleerd, niet die van hun vader, noch die van de streek waar we wonen. | ![]() |
|
De geschreven taal is vaak hoogdravend. In een opstel wordt herhaaldelijk taal gebruikt als 'Mag ik naar uw tegenwoordige conditie van gezondheid vragen?' In een stukje over een bibliotheek, na een bespreking in het tekstboek, schreef een van mijn studenten: 'In mijn gebied van rechtsbevoegdheid is een bibliotheek ....., enz.' Onze studenten vinden Engels niet belangrijk, daar dit een technische school is. De leraren zijn op dit punt niet erg behulpzaam, en sommigen spreken zelf geen goed Engels. De tekstboeken, die ik gebruiken moet, zijn van de hogere scholen in Engeland. Mijn studenten kunnen zich niet inleven, of voorstellen, hoe het daar is, want de zinnen en de stukjes tekst spelen zich natuurlijk af in een Engelse omgeving. De jongens hebben blijkbaar niet geleerd om in oorzaak en gevolg te denken, dus is het moeilijk, soms bijna onmogelijk om ergens een reden voor te geven. In een verhaal komt bijvoorbeeld voor, dat een jongen, die met zijn vrienden kampeert, middenin de nacht opstaat en naar de rivier gaat. De vraag is dan: 'Waarom gaat John 's nachts naar de rivier?' Het antwoord moet in de tekst te vinden zijn. Maar mijn leerlingen schrijven: 'John gaat 's nachts naar de rivier.' Maar het waarom zien ze niet. Mijn leerlingen, studenten, zijn intelligent, maar hebben, volgens mij, nooit geleerd hun hersens te gebruiken. Op straat en in hun eigen omgeving, zijn ze slim, dom zijn ze zeker niet. Na een poosje heb ik er behoefte aan om te weten waar ik mee bezig ben wat de grammatica betreft. Elk hoofdstuk in de tekstboeken is gericht op een aspect hiervan, maar niet altijd in een bepaalde volgorde. Ik neem de moeite om de complete grammatica uit te werken met behulp van de drie leerboeken. Ik raak natuurlijk ook betrokken in gesprekken met de andere leraren in de stafkamer en in de compound. Degenen waarmee ik het meest praat zijn mijnheer Aiken, elektriciteit jaar twee en een kleine tengere man, lassen jaar een, die uit Rivers State komt. Mijnheer Aiken komt van Calabar in Cross River State. Ik noem de lasmeester Muis bij mezelf, omdat hij een smal gezicht heeft met een rechte neus en een puntige kin. Vooral mijnheer Aiken wil alles over Engeland weten. Er worden conclusies en vergelijkingen getrokken. De gesprekken gaan over een grote verscheidenheid van onderwerpen. Een van de kwesties, waar veel interesse voor is, is de relatie tussen mannen en vrouwen. Huwelijksgewoonten, de status van alleenstaande vrouwen, werkende vrouwen, gezinsplanning, het komt allemaal onder de loep. Mijnheer Aiken, die getrouwd is en drie kinderen heeft, vraagt op een dag, heel voorzichtig, of bij ons de mannen vreemd gaan. Hij doet daarbij net alsof dit in Nigeria niet zo is. Muis zegt heel pertinent: 'Nou, Aiken, dat gebeurt hier maar al te vaak,' hetgeen Aiken begint te ontkennen tot alle aanwezigen de Muis bijvallen. Op een dag vraag ik Muis of hij getrouwd is. Hij antwoordt: Ik heb een verloofde. Ik betaal voor haar scholing en als ze haar eindexamen gedaan heeft, gaan we trouwen.' 'Hebben je ouders het meisje uitgezocht?' 'Nee, maar ze hebben wel hun toestemming gegeven.' 'En als ze dat niet gedaan hadden, wat dan? Had je dat meisje toch getrouwd? 'Je penetreert het meisje en als ze zwanger is, kan je haar trouwen,' zegt hij laconiek. |
| gezinsplanning |
|
Adima, lasmeester jaar drie, neemt me mee naar zijn huis en daar ontmoet ik zijn vrouw Ursula. Adima vertelde me, in een vertrouwelijk gesprek, dat ik soms met een leraar heb, dat hij een vriendin had waar hij drie kinderen mee heeft. Ze waren stapelgek op elkaar, maar zijn ouders waren het niet met zijn keuze eens. Nu is hij getrouwd met een vrouw, Ursula, die door hen is uitgezocht. Adima betreurt deze stap die hij gedwongen was te nemen. Hij en zijn vrouw kunnen helemaal niet goed met elkaar overweg. Ursula is verpleegster. Adima en Ursula hebben een dochtertje van twee maanden. Daardoor komt het gesprek al gauw op gezinsplanning. Deze keer hoor ik hetzelfde verhaal, maar nu van de vrouw, dat de jonge moeder een jaar lang na de geboorte van het kind, geen gemeenschap met haar man wil. Adima heeft me al verteld dat hij wel in hetzelfde bed mag slapen, maar haar niet mag aanraken. Dit heeft hem zo gefrustreerd dat hij haar op een keer een flinke klap heeft gegeven, waar hij zich overigens wel voor schaamt. 'Waarom gebruik je de pil niet?' vraag ik zijn vrouw. 'Je bent verpleegster, dus je weet er alles van.' Maar ze vindt de pil niet betrouwbaar. 'En mijn man wil niks gebruiken,' voegt ze er aan toe met een blik naar hem. Als ik zeg: 'Maar zo jaag je hem toch de deur uit?' haalt ze haar schouders op. Het lijkt me geen gemakkelijk leven, want elkaar ontlopen is niet zo eenvoudig, de Adima's wonen in een compound met tien appartementen die om een vierkant erf gebouwd zijn. Een appartement heeft twee kleine vertrekken, de huiskamer is aan de kant van het erf, de slaapkamer aan de achterkant met een veranda. Ursula kookt op deze veranda. Water moet in een van de gezamenlijke keukens gehaald worden. De tien gezinnen delen ook nog twee douches en twee toiletten. Later hoor ik, dat Adima ontslag genomen heeft op school, het gezin verlaten heeft en naar een ander deel van het land is verhuisd. |
| Kwararafa Quarters: de piano |
|
Eind december krijgen we bericht van het inklarings-agentschap in Lagos, dat onze bagage is aangekomen. Eindelijk, want ik had de boedel al in april ingepakt en laten verzenden. Het schip, waarmee onze spullen naar Nigeria zou komen, had mankementen en bleef in dok voor reparaties. Het wordt januari voor Fabian met een paar mannen van zijn werk naar Lagos kan gaan om de bagage op te halen. Hij moet zelf meegaan, want er wordt, tijdens het vervoer, vaak gestolen. De piano komt ook mee. Als de vrachtauto voor de deur staat, helpen een drietal jongens om het zware instrument naar binnen te brengen. 'Zet hem hier maar neer,' zeg ik tegen de jongens van Fabians werkplaats die de piano binnen brengen. Ze kijken me dankbaar aan want het is een zwaar en onhandig ding. 'Ma'am, wat is het?' vraagt een van hen. Ze komen om me heen staan. 'Man, dat is een orgel,' zegt een ander. 'Hoe doe je het dan?' wil een derde weten. 'Het is een piano, net zo iets als een orgel, wacht maar, direct hoor je wat,' antwoord ik terwijl ik voor de piano ga zitten om het plakband dat de klep over de toetsen dichthoudt, los te peuteren. In Nigeria kent men de piano niet. De grotere kerken hebben een orgel, maar verder zijn de instrumenten in dit land voornamelijk drums, ratels en fluiten. De jongens kijken afwachtend toe. Ik zie hun gezichten al voor me als ik straks een stukje voor hen ga spelen. Het plakband is er af, ik doe de klep open en ..... alle toetsen rollen in mijn schoot. ' Oooo.....' klinkt het om me heen. 'Dit is niet zoals het hoort, hoor,' zeg ik, ondertussen mijn hoofd pijnigend hoe al die toetsen weer op zijn plaats moeten komen. Als ik de bovenklep opendoe, leunen de jongens over mijn schouder om te kijken wat daar binnen zit. Niet veel bijzonders, zie ik al meteen. Het hamerbord is afgebroken en het hangt er als een lamme vleugel bij. 'Sorry, jongens, hij is stuk,' zeg ik. Onze teleurstelling is tastbaar, zij druipen af om de rest van de bagage binnen te brengen, en ik ga verder met het huis inruimen. |
| buren perikelen |
|
Op een dag zie ik dat er bij Daisy op de stoep een tafeltje staat met daarop wat kleine dingen, die men kan kopen: kleine zakjes Omo, zout, een paar uien en tomaten, suikerklontjes, lucifers. Als ze weer bij mij komt, zegt ze: 'Mijn vader heeft me geld gegeven om die dingen te kopen, zodat ik een paar kobo kan verdienen met het verkopen ervan.' Op een namiddag horen we een geweldig geschreeuw aan de overkant. We rennen naar het raam en zien dat de buurman aan de overkant met een riem om zich heen slaat, de woede spat van hem af, zelf van een afstand is dat te zien. Zijn twee vrouwen staan er hulpeloos bij. Hij geeft het tafeltje een opdonder zodat het de straat opvliegt en grist een baby uit de armen van Daisy alsof hij het kind het tafeltje achterna wil gooien. Maar daar zijn de vrouwen niet van gediend, en ze vliegen hem aan. Daisy weet het kleintje uit zijn handen te rukken en dan gaan ze met zijn allen naar binnen waar hun harde stemmen nog lang na blijven klinken. Als Daisy weer bij me komt, zegt ze: 'Mijn man was zo nijdig omdat geen van ons beiden voor hem gekookt had toen hij hongerig van zijn werk thuis kwam.' Haar man is chef van de immigratiedienst, en met hem zal ik later nog een paar maal te maken krijgen. Hij is dan heel vriendelijk en behulpzaam. Als ik niet zelf gezien had, hoe woedend hij kan zijn, en het een en ander van Daisy had gehoord, had ik niet gedacht dat dit dezelfde man was. |
| op visite |
|
Sue en Joe zijn onze vrienden, ze wonen samen in Lobi Quarters, aan de overkant van de Hospital Road. Op een ochtend besluit ik om haar op te zoeken. Het is niet ver, dus ik kan gaan lopen. Als ik aankom en klop, doet Sue zelf open. 'O, wat leuk dat je komt, ' roept ze uit, 'kom maar gauw binnen, ben je met de auto, nee ..... je bent lopend!' Ik volg haar naar binnen. Ik kijk nieuwsgierig rond. Ze brengt me naar een grote kamer waar banken en stoelen langs de muren staan met er tussenin bijzettafeltjes. Aan de wanden hangen grote fotoportretten van mannen en vrouwen. Er ligt vaste vloerbedekking. In het midden van de kamer staat niets. De overgordijnen zijn gesloten zoals bij iedereen in deze stad. Er zitten vier mensen op de banken, die niet reageren op mijn goedemorgen. Sue zet me op een bank tegenover hen en gaat weg om wat te drinken te halen. Ze brengt me een fles rosé en een glas. Ze schenkt me in. We praten wat met elkaar. Ik kijk tersluiks naar die andere mensen. Ze zeggen niets, zitten een beetje voor zich uit te staren en worden niet in de conversatie betrokken. Na een half uur of zo, wordt Sue weggeroepen. Even later komt ze met nog een gast binnen. Hetzelfde ritueel als dat met mij herhaalt zich. Sue laat me alleen met de rosé en gaat zich met de nieuw aangekomene bemoeien. Ik zit nu net als die andere mensen een beetje voor me uit te staren, want ik wordt niet in de nieuwe conversatie betrokken. Ik kan het gesprek trouwens niet horen want Sue zit met haar bezoekster twee banken verderop en met haar rug naar me toe. Eindelijk vat ik moed, ik sta op en zeg: 'Sue, ik moet weer gaan.' Het klinkt heel luid in de kamer. Sue draait zich om en knikt me vriendelijk toe. Ik zeg gedag en verlaat de kamer. In de gang tref ik een meisje aan dat me uitlaat. Als ik later aan Fabian om uitleg vraag over die mensen die bij Sue in de kamer zaten, zegt hij: 'Dat waren waarschijnlijk familieleden, die op Joe wachtten om hem geld te vragen.' |
| de kippen verkocht |
![]() |
Na de ruzie met Fabian over het niet-bestaande spaargeld van de eieren, besluit ik de kippen te verkopen. Ze zijn allemaal ziek, er gaan steeds kippen dood, we draaien met verlies. Richard, de jonge veearts steunt me. We kunnen geen nieuwe kippen nemen voordat het hele terrein een jaar braak gelegen heeft en de hokken zijn gezuiverd. Dat laatste is onmogelijk in verband met de ruwheid van de cementen vloer en het hout. Verder is er altijd nog het probleem van het voer halen. De laatste tijd doe ik dat zelf, maar daar heb ik de auto voor nodig. En Fabian weigert die te geven. De laatste keer dat we er woorden over hadden, zei ik voor de grap: 'Dan moet ik zeker maar een vrijer nemen met een auto.' Fabian keek me aan en antwoordde: 'Dan geef je mij permissie.' En dat terwijl hij al sinds jaar en dag stiekem een vriendin heeft!! |
|
Selene heeft de gewoonte om tomaten voor de saus, die niet meer goed zijn, door het open keukenraam te gooien, de tuin in. Nou, veel tuin is het niet, gewoon een stuk braakliggend land, waar we alles opgooien als we het kippenhok uitmesten. Met als gevolg dat de tuin na de regens plotseling vol staat met tomaten. Na het succes met de tomaten besluiten Selene en ik de mest te gaan verkopen. We storten het nu in de voortuin bij het pad, met een bord erbij: mest en kippen te koop. Op een dag zijn we bezig met het schoonmaken van de hokken. Het is al een uur of vijf in de middag. Fabian en mijnheer Ibeh, de buurman, zitten in luie stoelen buiten te praten en bier te drinken. Ze hebben de stoelen tussen de huizen gezet, waar ze wat wind vangen, want het is een hete dag geweest. Selene en ik moeten steeds voorbij lopen met de kruiwagen vol mest. We werken en zweten als slaven. De heren zien ons niet en negeren ons volkomen. Op een gegeven moment, als we hen passeren, vraag ik: 'Zullen we?' Selene lacht. 'Nee, daar komen problemen van,' antwoordt ze. |
| bijverdiensten |
|
Elke Nigeriaanse vrouw of ze een baan heeft of niet, doet er iets bij om wat extra's te verdienen. De dokter in het onderwijs, Dr. Achete, gaat brood bakken zo gauw ze thuis is van kantoor. Dr. Achete ziet er opmerkelijk uit met de drie littekens, stamtekens, die aan elke kant vanuit de hoeken van haar mond naar haar wang lopen. Het lijken net snorharen van een kat. Ze heeft ontkroest haar dat in grote krullen op haar hoofd ligt, stijf van het vet. Sommige vrouwen verkopen bier vanuit hun huis. Vrouwen of hun mannen die bij de regering werken, kunnen wel aan een vergunning komen om bier te verkopen, maar als je geen connecties hebt, zit je er naast. Andere vrouwen gaan naar de markt met gari of palmolie. Deze producten halen ze eerst uit hun dorp. Je ziet ook veel vrouwen die het haar van andere vrouwen vlechten als bijverdienste. Ze zitten met hun klanten op de stoep, zo'n karweitje duurt minstens een halve dag. Fabian begint er op te zinspelen dat ik ook wat moet gaan doen. Hij denkt dat een boekwinkel een goed idee is, maar als je bedenkt dat 75% van de bevolking ongeletterd is, dan weet ik niet of daar een verdienste in zit. We hebben al een boekwinkel in Makurdi, daar worden studieboeken verkocht, en Cyril, de supermarkt, verkoopt pockets, detectives en liefdesromannetjes. In plaats van een boekwinkel zou je een boetiek kunnen openen. Maar je hebt dan wel de juiste connecties nodig en geld om te investeren. Ik weet hoe zoiets gaat van mijn moeder en haar winkel. Hij oppert, dat ik wasmachines moet gaan importeren, maar dat lijkt me ook al geen goed idee, en Mrs Ackaa steunt me hierin. Als een vrouw geld heeft, dan koopt ze mooie wrappers en gouden sieraden. Een Nigeriaanse man spendeert veel geld aan zijn vrouw vooral met Kerst. Hoe mooier de vrouw eruit ziet, behangen met goud en brokaten wrappers, hoe rijker haar echtgenoot, zo wordt er geredeneerd. Dat de arme man zich in de schulden moet steken voor al dat uiterlijke vertoon, is maar bijzaak. Vandaar dat wasmachines beslist geen prioriteit zijn voor een Nigeriaanse vrouw, daar kun je immers niet mee pronken in de kerk of op bezoek? |
| naar Nederland |
![]() | Halsoverkop moet ik naar Nederland omdat mijn moeder ernstig ziek is. Er moeten daarom wat zaken geregeld worden, gelukkig is Ann Ackaa er om me te helpen. Ik heb een uitreis visum nodig om Nigeria te verlaten. De kantoren zijn natuurlijk dicht, het is zaterdag. Fabian herinnert me eraan dat Daisy's echtgenoot bij de immigratiedienst werkt. Ik ga 's avonds naar hem toe om de zaak uit te leggen in de hoop dat hij me een stempel kan geven. Hij doet erg onverschillig. Hij behandelt me, alsof ik een klein kind ben, dat om een snoepje bedelt. Nee, hij kan me geen stempel geven, want de baas is met het weekend weg, en hijzelf heeft de sleutel niet. En de man die de sleutel heeft, is ook niet thuis. Ik ga teleurgesteld naar huis, misschien had ik hem geld moeten bieden. Ik vertel het Fabian. 'Ik ga zelf wel even naar hem toe,' zegt deze. Na een poosje komt hij terug om papier en een pen. Als hij weer thuis komt, geeft hij me een brief die door Daisy's man geschreven is. In de brief staat een verklaring waarom ik geen visum heb. Ik moet deze brief aan de Immigratie Officier op het vliegveld geven. |
|
Op het vliegveld van Kano check ik in. Het is nog vroeg en ik moet wachten tot het tijd is om door paspoortcontrole te gaan. Er is niet alleen paspoortcontrole, maar ook immigratie, gezondheid en deviezen. Iedereen moet weer een geel briefje invullen met hoeveel geld hij or zij bij zich heeft. Het is verboden om Nigeriaans geld, de Naira, in- of uit te voeren. Ik heb de helft van de dollars bij me die we uit Engeland meegebracht hebben. Bij immigratie geef ik de man in uniform de brief van mijn buurman. Hij kijkt erin en vraagt wat het te betekenen heeft. Ik leg het uit. 'Meekomen,' zegt hij. Ik loop mee naar het kantoor van de vreemdelingenpolitie. De jongeman achter het bureau aan wie ik de brief geef, wuift met zijn hand dat ik moet gaan zitten. Hij leest de brief en fronst zijn voorhoofd. Dan leunt hij achterover in zijn stoel en hij legt zijn gelaarsde voeten op het bureau. Hij steunt zijn ellebogen op de armleuningen van zijn stoel en maakt een pyramide van zijn handen. De klassieke houding voor ondervraging, denk ik. Wat zou me boven het hoofd hangen? Ik hoef niet lang op antwoord te wachten. Terwijl hij me met een vorsende blik aankijkt, begint hij me op norse toon te ondervragen. 'Wie heeft deze brief geschreven?' wil hij weten. Ik beantwoord zijn vraag. 'Is dat waar?' Er staat alleen de handtekening onder van mijn buurman met de gegevens van zijn positie, maar nu vraagt deze man: 'Is deze brief wel echt?' Ik krijg amper tijd om te antwoorden, hij vraagt maar door. 'Waarom reist u? Weet uw man dat u reist? Waarom laat u uw kinderen achter? Wat bent u voor een moeder?' Ik leg het uit en geef hem de telex die mijn broer heeft gestuurd. 'Waarom laat u uw kinderen achter?' Deze vraag herhaalt hij meerdere malen. Mijn antwoorden schijnen hem niet te voldoen. Het lijkt uren te duren, steeds dezelfde vragen. Ik begin aardig de zenuwen te krijgen, niet alleen door deze ondervraging en de houding van de officier, alsof ik een misdadiger ben. Ik maak me ook ongerust over mijn koffer, die al ingecheckt is en over mijn vlucht. Hij blijft maar vragen, waarom ik mijn kinderen achterlaat. 'Ik laat hen niet achter, mijn moeder is stervende en ik ga haar opzoeken,' zeg ik voor de zoveelste keer. 'Heeft u een brief van uw man bij u, dat hij toestemming geeft dat u reist?' Nee, die heb ik niet en wat een onzin, hoe kan ik bewijzen dat hij van mijn man is, als er aan de echtheid van de Immigratie Officier in Makurdi wordt getwijfeld. Plotseling verandert de houding van mijn ondervrager, hij zet zijn voeten op de grond en zegt heel vriendelijk: 'Weet u, we hebben een hoop problemen met blanke vrouwen, die bij hun man weglopen en later weer terug willen komen, daarom moeten we voorzichtig zijn.' Hij staat op, schudt me krachtig de hand terwijl hij me een goede reis wenst. Opgelucht stap ik naar buiten om de rij wachtenden weer op te zoeken. Achter de balie van deviezen zit een soldaat en naast hem staat er nog een. Ik geef hem de twee gele briefjes, de ene die ik van onze aankomst in Lagos heb en de nieuwe die ik net heb ingevuld. De militair achter de balie bestudeert ze en kijkt op: 'Waar is de rest van die dollars?' De rest van die dollars? Ik kijk hem niet begrijpend aan. 'Ja,' zegt hij vrij ruw, 'de rest van die dollars, u heeft 300 mee het land in gebracht. Nu heeft u nog maar 150, heeft u een bankafschrift dat u ze gewisseld heeft?' 'Ik heb ze niet gewisseld, ze liggen thuis in de la.' Nu is het zijn beurt om me niet begrijpend aan te kijken. Hij herhaalt zijn vraag. Ik herhaal mijn antwoord. Dan zegt hij met een ongeduldige ruk van zijn hoofd: 'Ga daar maar staan!' Daar sta ik dan. Ik doe net alsof ik niet in iemands verdomboekje sta, maar op iemand wacht. Wat zou er verder gaan gebeuren? Het duurt lang voordat alle passagiers langs geweest zijn, want het vliegtuig is volgeboekt. Sommige mensen kijken me aan en knikken me bijna onmerkbaar toe. De meesten doen net of ze me niet zien. In Londen had ik verhalen gehoord van mensen, die veel moeite hadden een visum te krijgen om Nigeria in te mogen. Het lijkt wel of het nog moeilijker is om het land uit te komen. Alles wordt hier zo gemakkelijk geregeld, dat je opschrikt als het volgens het boekje gaat. Als iedereen de officier gepasseerd is, roept hij me. Hij zegt met veel nadruk: 'Ik schenk u vergiffenis,' en dan krijg ik een lesje over wat ik met geld moet doen, zoals het ook achterop het gele formulier staat. Maar ik hoor het al niet eens meer, zo blij ben ik dat ik door mag. Nu iedereen de nodige formaliteiten afgewikkeld heeft, moeten we allemaal in een kleine ruimte wachten tot we aan boord kunnen. De ruimte is zo klein, dat op een paar mensen na die zitten, de rest van ons dicht op elkaar gedrukt moet staan. De gedachte aan slavenvervoer komt bij me op. Het is benauwd en heet, je ademt elkaar in de nek of in het gezicht. Er hangt een vieze lucht van zweet. Eindelijk gaan de deuren open en mogen we doorlopen naar het vliegtuig, dat ons via Londen naar Nederland zal brengen. |
| en dan een VIP behandeling |
|
In Londen verlaten alle mensen behalve ikzelf het vliegtuig. Er komen geen nieuwe passagiers binnen. Ik zit in mijn eentje in het grote toestel. Er is veel heen en weer geloop van stewardessen, piloten en ander personeel, maar we blijven aan de grond. Na enige tijd vraag ik aan een stewardess, wat er aan de hand is, en waarom we niet gaan vliegen. Ze zegt, dat er iets mis is met een van de turbines. Even later komt er een oudere man in uniform naast me zitten. Hij stelt zich voor als de gezagvoerder en zegt dat hij een gepensioneerde Nederlandse piloot is, die nu Nigerianen opleidt. Ik antwoord in het Nederlands. Als hij vraagt, wat ik in Nigeria doe, vertel ik hem het een en ander. Na een kwartier wordt hij in de cockpit geroepen. Ik zit een beetje te dromen en aan mijn moeder te denken: zou ze weten, dat ik onderweg ben? Ja, natuurlijk, Fabian heeft via de Ackaa's een telex naar Rolands werk gestuurd. Er komt een stewardess naar me toe: 'Madame,' zegt ze, 'u mag wel eerste klas gaan zitten, als u wilt.' We moeten er om lachen, want ik heb het hele vliegtuig voor mij alleen. Als we eindelijk opstijgen, komt ze weer naar me toe: 'Madame, de gezagvoerder vraagt of u in de cockpit wilt komen.' En zo reis ik in een stoel achter de gezagvoerder tot we gaan landen, dan moet ik terug naar de cabine. Ik heb een re-entry visum nodig om weer naar Nigeria terug te kunnen en daarvoor ga ik naar de Nigeriaanse Ambassade in Den Haag. Met de problemen die ik eerder had in gedachten, leg ik de situatie uit. Ik zeg er ook bij dat ik geen brief van mijn man heb. Dat blijkt geen enkel bezwaar te zijn. De juffrouw achter het bureau zegt heel eenvoudig: 'U woont er toch?' Binnen een half uur sta ik weer op straat met het benodigde visum in mijn paspoort. Ik verkoop de dollars aan een van Fabians vrienden. Er zit niets anders op, want de militair op het vliegveld heeft het gele formulier gehouden. Daardoor kan ik de dollars niet in een bank wisselen en ze ook niet meer mee naar het buitenland nemen. |
| verhuizen naar Ankpa Quarters |
|
We zijn verhuisd en hebben alles zo goed als kan een plek gegeven, neef Lawrence hebben we de hele dag niet gezien. Als we gegeten hebben komt neef Lawrence aanslenteren. Hij loopt naar de boys' quarters alsof hij gaat kijken, waar hij nu zijn bedje kan spreiden. Ik heb flink de pest in over hem, dus roep ik: Lawrence, waar was je de hele tijd?' Hij haalt zijn schouders op, maakt een vaag gebaar en loopt door. Even later zie ik hem weer in de tuin, hij komt naar het huis toe. Ik ga naar buiten en vraag hem: 'Lawrence, wil je water neerzetten voor de kinderen in de boys' quarters?' Hij kijkt me aan maar zegt of doet niets. Er is stromend water en er is een buitenkraan vlak voor de boys' quarters, maar de druk is niet hoog genoeg voor de douche. Ik pak zelf een emmer, dan bedenk ik me: is het niet tijd dat hij eens wat doet? Het is toch gebruikelijk dat een neef in huis meehelpt? In plaats van de emmer van mij over te nemen, vraagt hij waar hij kan slapen. Ik spring uit mijn vel. 'Kijk, Lawrence, je drukt je als er wat gedaan moet worden. We hebben de hele dag gewerkt om te verhuizen en jij verdween zo gauw het daglicht werd, nu kan je niet eens water halen voor de kinderen. Wat ben je eigenlijk voor een grote nietsnut! Je buik vol eten, dat kan je, maar studeren, ho maar. Waarom ben je niet allang gaan werken, in plaats van op je ooms zak te teren? Je wacht zeker tot iemand het je komt brengen. Zorg maar dat je ophoepelt, ga maar ergens anders wonen! Voor mijn part ga je kamperen in een tent!' Ik ben woedend en als hij me aankijkt op zijn eigen arrogante manier, die bedacht veel op uitlachen lijkt, word ik zo boos, dat ik uithaal en hem een fikse klap op zijn wang geef. Zijn ogen vliegen open, dan knijpt hij ze samen. Hij vloekt binnensmonds. Selene die erbij staat te kijken, zegt gauw: 'Ik haal wel water,' en pakt mijn emmer en gaat naar de boys' quarters. Ik ga naar binnen. Een kwartiertje later zijn Selene en ik in de keuken bezig. Neef Lawrence verschijnt buiten voor het open raam om te zeggen dat hij zijn beklag zal doen bij zijn oom. Fabian is niet thuis, na het uitladen van de laatste vrachtwagen is hij weer weggegaan, naar de Club, vermoed ik. 'Moet je doen,' antwoord ik kalm. Dan begint hij op luide toon in zijn eigen taal hard tegen me te schreeuwen. Selene, die dezelfde taal spreekt als haar neef, zegt tegen mij: 'Hij scheldt u uit, hij vervloekt u.' Wat een wezel, denk ik, hij durft me niet eens in het Engels te vervloeken. Als ik verder geen commentaar meer geef en hem negeer, gaat hij weg, de straat uit. Neef Lawrence moet lang wachten want Fabian komt pas tegen middernacht thuis. Als Fabian de slaapkamer inkomt, zegt hij: 'Lawrence stond me op te wachten om me te vertellen wat er is gebeurd.' 'Dat ik hem een klap heb gegeven? En wat heb jij gezegd?' Ik ben benieuwd of hij het voor mij of voor zijn neef opneemt. 'Ik heb hem gezegd, dat hij het waarschijnlijk wel verdiend had.' Voordat de week om is, is neef Lawrence vertrokken. |
| aardverschuiving |
|
Als het flink geregend heeft, zijn er van de Ankpa Road hele stukken afgeslagen. Ik heb me laten vertellen, dat er ondergrondse stroompjes lopen, waardoor de weg onstabiel is. Daar de weg niet geasfalteerd is, is er ook geen drainage onder aangelegd. Er is daarom wel eens een echte aardverschuiving na een onweersbui. Het oppervlak van de weg kan 's middags heel anders zijn dan in de ochtend. Hierdoor ben je vaak genoodzaakt om aan de verkeerde kant van de weg te rijden, hetgeen tot veel geschreeuw en gevloek van tegemoetkomende chauffeurs leidt. In de stad zelf zijn de wegen wat beter, op een groot aantal gaten na. Het vraagt veel behendigheid om zowel de andere auto's als de gaten te omzeilen. Het is een keer voorgekomen, dat ik 's avonds op de onverlichte weg naar huis reed en plotseling stopte alsof ik gewaarschuwd was door een zesde zintuig. Toen ik uitstapte om te kijken, zag ik tot mijn schrik dat mijn voorwielen aan de rand van een gat van een meter of meer diep stonden! |
| op de kleuterschool van Mrs. Atanu |
|
Het is een algemeen geaccepteerde manier van opvoeden om een kind in bijzijn van anderen te kleineren. Het komt herhaaldelijk voor, dat ik in het kantoor van Mrs. Atanu geroepen wordt, als een kind een uitbrander moet krijgen. De ouders zijn erbij aanwezig, de directrice en het kind. Ik voel me hier erg ongemakkelijk bij, maar ik durf er niets van te zeggen. Ik ben laf. Later ben ik extra lief voor het kind, maar de schade is dan al aangericht. Mrs. Atanu heeft de onhebbelijke gewoonte om ons met een cheque te betalen. Het wachten in de bank duurt altijd lang. Als je eindelijk bij de balie bent, en je cheque afgeeft, ga je weer wachten. De bank is een open ruimte en je kunt je cheque volgen als die door een loopjongen van de ene medewerker naar de andere gaat, die van alles nakijken in grote boeken. Aan het eind van de ruimte zit, op een verhogiing, een medewerker die alles in de gaten houdt. |
| dief |
|
Op een dag in oktober ga ik mijn cheque verzilveren. Dan neem ik de bus naar de markt en doe wat boodschappen. Als ik klaar ben stap ik in een taxi die naar Ankpa Quarters gaat. De plaats voorin naast de bestuurder, is bezet, en achterin zit een jonge vrouw. Ik ga naast haar zitten. Op mijn schoot heb ik mijn tas, die ik van een lapje stevige gordijnstof gemaakt heb. Aan een kant zit een zakje met een ritssluiting, dat ik tegen mijn borst aandruk. De plastic boodschappentas staat op de grond tussen mijn voeten. Net als de taxi weg wil rijden, stapt een man in aan mijn rechterkant, dus nu zit ik in het midden. De taxi zwenkt plotseling naar het midden van de weg uit en moet daarna een paar keer voor enige bussen uitwijken voor we in de verkeerstroom zitten. De man naast mij is erg geagiteerd en praat met afgewend gezicht aan een stuk door. Ik wissel een blik met mijn buurvrouw en we halen onze schouders op. Bij de volgende straat gaat de passagier op de voorbank eruit. Als we vijf minuten verder gereden hebben, roept de man naast mij: 'Drop me here!' wat betekent: Laat me er hier uit!' Er zijn geen vaste haltes en dit is de manier om aan te geven dat je er uit wil. De chauffeur stopt zo gauw hij kan, en de man springt eruit. We zien hem naar de overkant rennen om daar een bus aan te houden. 'Wat een rare kerel,' zeg ik tegen de vrouw naast mij, 'wat zat die te kletsen.' 'Wat was er met hem aan de hand dat hij zo zenuwachtig zat te doen? En nou probeert hij een bus de andere kant op te nemen, gek hoor,' is haar antwoord. De chauffeur, die op het punt staat verder te rijden, draait zich om en vraagt: 'Wat was dat?' We leggen het hem uit. 'Check je portemonnee,' zegt hij. Ik kijk in het zijvakje van mijn tas. De rits is dicht maar het geld is er uit. Ik roep luid: 'Mijn geld is weg!' De chauffeur is de wagen al uit. Ondertussen heeft de man de bus niet kunnen stoppen en nu hij de taxichauffeur op hem af ziet komen, zet hij het op een lopen in de richting van de markt. De chauffeur rent achter hem aan, schreeuwend: 'Dief, houdt die dief!!' De vrouw en ik stappen uit om te kijken wat er gaat gebeuren. Een aantal mensen verdringt zich om ons heen, nieuwsgierig naar de beroering. Er komen twee politieagenten op een motorfiets langs. Ze stoppen een eindje verder en keren om. De bestuurder vraagt mij, wat er aan de hand is. Ik leg het hem uit, maar voor ik uitgesproken ben, is hij al weg, de dief en de taxichauffeur achterna. Het is druk op straat en ik kan niet langer zien waar ze gebleven zijn. De vrouw die naast mij zat, wenst me succes en houdt een andere taxi aan. Ik leun tegen de auto en wacht. Het duurt niet lang of de agent komt terug met de taxichauffeur. Zijn collega neemt de aangehouden man mee naar het bureau. De dief was een café binnengerend en had geprobeerd door de achterdeur weg te glippen. De agent was hem te snel af. De dief had het geld op de grond gegooid en voor hem iets was gevraagd, had hij geroepen: 'Ik heb het niet gedaan, ik heb het geld niet!!' De taxichauffeur en ik moeten naar het politiebureau om aangifte te doen. De dief is ingerekend. Ik kan precies zeggen, omdat ik net van de bank kwam en niet veel uitgegeven had op de markt, hoeveel geld ik bij me had, zoveel bankbiljetten en zoveel munten. Het klopte precies met wat er op de vloer van het café lag. Na een paar weken moet ik naar de rechtbank voor een hoorzitting. Ik zie er erg tegenop. Niet alleen is zo'n gebeurtenis nieuw voor mij, en weet ik niet wat er van mij verwacht wordt, ik ben ook bang dat ik niet hoor wat de rechter of anderen zeggen. Mijn gehoor, dat al jaren niet zo goed is, is de laatste tijd verslechterd. De taxichauffeur moet eveneens komen getuigen. We treffen elkaar voor het gebouw. Hij is een kleine stille man van onbestemde leeftijd van wie je zijn kordate optreden niet zou hebben vermoedt. Ik zeg hem dat ik zenuwachtig ben. Hij glimlacht en zegt: 'Ik steun u wel.' Na afloop, als we weer buiten staan, wil ik hem vijf Naira geven, want hij heeft vrij moeten nemen en heeft geen inkomen voor deze ochtend, maar hij wil het niet aannemen. Als de procedure eenmaal aan de gang is, merk ik dat het allemaal meevalt. Alle partijen, waaronder ook de beide agenten, worden ondervraagd. Tot mijn verbazing wordt de aanklager, dat ben ik, en de beschuldigde aangemoedigd om elkaar vragen te stellen. Ik heb niet veel vragen. De man, die ontkent, dat hij me bestolen heeft, vraagt, hoe ik zo zeker kan zijn, dat hij het geweest is. Ik zeg: 'Ik ben onderwijzeres, en dan leer je om op alles te letten. Je zat zo zenuwachtig te kletsen, dat je alle aandacht trok.' De dief wordt veroordeeld. De agent, die hem gepakt heeft, zegt naderhand, dat de man het jaar ervoor al actief was geweest op de markt met het opensnijden van tassen en broekzakken. Ik heb daarmee mijn geld nog niet terug. Dat krijg ik pas over drie maanden, die wettelijk in acht genomen moeten worden, in geval er nog iets aan het licht komt. |
| Elisabeth |
|
Elisabeth is een Poolse kinderarts, die door de regering is aangenomen. Ze woont in de straat achter ons en werkt in het algemene ziekenhuis. Er zijn twee ziekenhuizen in Makurdi, het andere is het St. Therese's Mission Hospital aan de Old Otukpo Road. Ik kom regelmatig bij Elisabeth en samen hebben we eens een autopsie gedaan op een van mijn kippen. Dus het is niet raar, dat Tomeck, een van de Poolse ingenieurs, naar het huis van Father Avery komt om mij te spreken. Elisabeth is ziek en hij vraagt, of ik haar op wil zoeken. Ik beloof het, en ik voel me een beetje schuldig, want ik ben al een poosje niet bij haar geweest. Na school ga ik naar huis, en als ik gebaad heb, ga ik meteen naar mijn achterbuurvrouw. Ik vind haar in de slaapkamer, waar ze op de rand van haar bed zit te huilen. Er is weer geen elektriciteit en de temperatuur is rond de 40 graden Celsius. 'Wat is er, Elisabeth?' vraag ik haar. Ze zit te rillen en omklemt met beide armen haar lichaam. Ik ben zo ziek, ik heb malaria,' jammert ze, 'ik kan het niet meer aan.' Ik ga thee zetten en dan stukjes bij beetjes komt alles eruit. Ze is diep teleurgesteld, ze had het zich allemaal zo anders voorgesteld. Ze is geschokt dat er kinderen doodgaan in het ziekenhuis, terwijl zij hen had kunnen redden, als er maar medicijnen geweest waren. Ze kan niet langer aan een kinderbedje staan en werkeloos toezien. Ze heeft nog steeds geen auto (die de regering haar wel beloofd heeft) en moet daarom altijd wachten tot er een chauffeur van het ziekenhuis haar ophaalt. Ze heeft geen water, geen licht. Ze piekert over haar dochter, die nu bij haar ex-man is. Ook over haar scheiding praat ze. Maar vooral over het ziekenhuis en de gang van zaken daar. 'Laatst zaten er een paar vrouwen te wachten in de gang. Je weet hoe het is, er zitten altijd mensen te wachten, ze komen van heinde en ver, eigenlijk te ziek om te lopen. Op de grond onder de bank waar ze zaten, lag een bundel dekens. Toen ik vroeg of hij van hen was, raapte een van hen het bundeltje op en gaf het mij met de mededeling: 'Dood.' Ik deed de oude lappen open en zag een kindje van een paar maanden oud. Het leefde, maar dan ook nog maar net. De moeder had het al opgegeven. Geven ze dan nergens om? Ze nemen een ziek kind mee naar een kruidendokter, en vergiftigen het kind met kruidenthee die veel te sterk is. Dan komen ze veel te laat naar het ziekenhuis. En ze zijn zo apatisch als wat, en ze blijven maar zwanger.' Elisabeth begint weer opnieuw te huilen. 'Ik ga weg, ik kan het hier niet langer uithouden,' roept ze bijna hysterisch uit. 'Ik wil naar huis!' 'Hier drink je thee,' zeg ik want ik begrijp dat haar maar al te goed, maar kan niet veel voor haar doen, 'wordt nou eerst maar beter.' Elisabeth verbreekt haar contract en gaat terug naar Polen. Dat heeft nogal wat voeten in aarde. Ze heeft recht op geld dat ze naar huis zou sturen, maar het is nog niet uitbetaald. In het kantoor van het Ministerie van Gezondheid weten ze van niets. Haar dossier is zoek. Dag na dag gaat ze er heen. Haar dossier blijft zoek. Ze weigert de beambte om te kopen en hem smeergeld te geven. Maar eindelijk, als er op een dag een andere beambte is, vindt hij haar dossier, en kan eindelijk alles geregeld worden. Elisabeth vliegt naar huis, en ik heb nooit meer iets van haar gehoord. |
| onmacht |
| Al gauw beginnen we ons thuis te voelen in het nieuwe huis in Ankpa Quarters. Toch heb ik de eerste maand weer problemen waar ik met Joe over wil spreken. 'Als ik sta te strijken, wat ik in de brede gang bij de slaapkamer doe, krijg ik bij tijd en wijle de neiging om de strijkbout door de gang te smijten.' 'Ik kan me voorstellen, dat je dat in je oude huis zou doen, maar nu heb je toch veel ruimte,' antwoordt Joe. Hij geeft me pillen, gelukkig zijn ze niet zo sterk als de laatste keer. |
![]() | Ik kan, naast de nasleep van het vorige huis, wel meer redenen bedenken voor mijn innerlijke spanning. Een spanning, die over de volgende jaren steeds weer zou terugkomen. Ik voel me ge239;soleerd, niet zo zeer eenzaam dan wel afgesneden van, wat ik, gewoon menselijk verkeer noem. Fabian blijft steeds minder thuis. Ik ga me afvragen, of het mijn schuld is, dat Fabian zo vaak weg is. Schiet ik te kort, ben ik wel een normaal mens? Fabian is niet te bereiken, fysiek niet en emotioneel nog minder. Hij heeft zich afgesloten. Heeft hij ooit voor mij opengestaan? Ik weet niet hoe dat in andere gezinnen toegaat. De enkele keer dat ik bij de Ibeh's, naast ons, binnenkom, zitten man en vrouw thuis, met de krant en de televisie. Misschien leest mijnheer Ibeh zelfs wel detectives, hij is namelijk bij de geheime politie. Bij de familie Njoku, die in de volgende straat wonen, is eveneens de heer des huizes aanwezig, als ik zijn vrouw kom opzoeken. In Engeland ging Fabian twee avonden per week trainen en op zaterdagmiddag was er een voetbalmatch, maar de rest van zijn vrije tijd lag hij in zijn stoel voor de televisie. In de lente en zomer was hij in onze groentetuin bezig. Nu had hij zelfs geen tijd om thuis de krant te lezen. De kinderen zien hun vader bijna nooit en kunnen dus met hun schoolwerk of nieuwtjes alleen bij mij terecht. En voetballen met de jongens dat doet hij nooit. |
| Er is geen mentale stimulatie. Ik heb geen geld voor boeken, waar ik eigenlijk noch de tijd noch het geduld voor heb. Later ontdek ik de bibliotheek, maar daar zijn alleen door buitenlanders achtergelaten boeken, en wat oude suffe verhandelingen over godsdienst. Op een dag breng ik een dik boek van Hegel, over filosofie, mee naar school. Father Avery trekt zijn wenkbrauwen hoog op: 'Wat moet je met die ouwe vent?' Later zal ik bij Fr. Avery de National Geographic lezen, maar een Libelle of Margriet heb je hier niet. Natuurlijk zijn er de Arcane Schoollessen en het maandelijkse schriftelijke contact als ik mijn meditatierapport opstuur en daarop een feed-back krijg. Deze brieven, hoewel ze niet over persoonlijke dingen gaan, zijn een reddingslijn, die me over de jaren heen op de been houden en me leiding geven in mijn ontwikkeling. Mijn vriendinnen in Nederland schrijven veel, maar het leven in Nigeria is zo totaal anders dan in Nederland, dat ik in mijn brieven alleen maar de leuke en de gekke dingen vertel, en niet veel over mijn emotionele problemen. En zo lijkt het erop, dat het leven zich voornamelijk op het niveau van de eerste behoeften afspeelt, water, eten, mensen en dieren verzorgen. Ik kan me neerleggen bij het feit, dat dit de plek is waar ik momenteel moet zijn, want je bent nooit voor niets in een bepaalde situatie. Maar ik had het graag anders gehad. Van nature ben ik een perfectionist, ik heb, in dit land, al aardig wat moeten inleveren wat dat betreft. Als Fabian thuis is, doet hij alsof hij mijn geweten is. 'Dat had ik niet van je verwacht', is zijn commentaar, als ik, bij een van onze steeds sporadischer wordende bezoeken aan vrienden, iets heb gezegd, dat minder goed is uitgevallen. Rose Hua komt op bezoek en brengt een kennis mee. De vrouw is sociaal werkster. Die avond komt Fabian hevig verontwaardigd thuis, zelfs vroeger dan normaal en begint tegen mij te schreeuwen: 'Je moet niet alles over ons aan anderen vertellen!!' Ik vraag me verbaasd af waar hij het over heeft. 'Je hebt aan die vrouw verteld, dat je altijd alleen bent!' 'Welke vrouw, en waar heb je het over?' 'Die maatschappelijk werkster, ze was in de club en zei tegen mij, dat ik meer thuis moet blijven, want dat je er slecht uitziet.' 'Nou, dat thuisblijven hoef ik niemand te vertellen, iedereen kan zien dat je overal bent behalve thuis, dat je altijd in de Club bent. |
| het interview |
|
Father Avery heeft me dan wel aangenomen als lerares Engels, ik moet toch een officiële aanstelling krijgen van het Ministerie van Onderwijs. Dus neemt Fr. Avery me mee voor het interview met mijnheer Ocheme. We zitten in een kleine wachtkamer. De deur van het kantoor gaat open en een man wenkt me om binnen te komen. Ik sta op en laat Fr. Avery in de wachtkamer achter. De man loopt naar zijn stoel achter het bureau en pakt een blad papier op. Dan kijkt hij me lange tijd onderzoekend aan. 'Bent u bang voor mij?' vraagt hij. Wat een vraag, wie denkt hij wel dat hij is? De brutaliteit van de man veegt al mijn zenuwachtigheid onder de tafel. Ik had van Rose Hua gehoord, dat mijnheer Ocheme een lastig heerschap is, maar dit had ik niet verwacht. 'Nee, mijnheer.' 'Bent u zenuwachtig?' 'Niet meer dan normaal in een interview,' zeg ik rustig. Hij leest het formulier, dat hij nog steeds in zijn hand houdt, en vraagt mijn naam. Hij wil weten wat ik voor ervaring heb, waardoor ik denk, dat ik geschikt ben voor deze baan. Ik vertel hem het een en ander. | ![]() |
|
'Zo, ik zie dat u op dezelfde dag, maand en jaar geboren bent als ik, onder hetzelfde horoscoopteken.' Dat opent voor mij een mogelijkheid die ik meteen benut. 'Dan weet u wel zo'n beetje hoe ik ben en wat ik van deze baan zal maken.' Hij glimlacht en knikt. Plotseling zijn we in een geanimeerd gesprek verwikkeld. Na een goed half uur, met de wachtende pater in gedachten, vraag ik hem hoe het ermee zit, heb ik de baan of niet. Hij knikt: 'Ja, dat is in orde.' Als ik met een warm hoofd van het vele praten in de wachtkamer terug ben, kijkt Father Avery me onderzoekend aan: 'Dat duurde lang, zeg.' Ik krijg de baan niet, omdat mijnheer Ocheme naar een cursus gestuurd wordt, voor hij de papieren in orde kan maken. Rose zegt, dat hij teveel vriendjespolitiek voerde. Op cursus gestuurd worden is de officiële uitdrukking voor overplaatsing naar een mindere positie. Dit betekent een tweede interview voor mij. Dit keer moet ik met een jonge man spreken, die niet zo gauw overtuigd is. Father Avery moet er aan te pas komen voor ik de baan krijg. Ik heb ook een werkvergunning nodig waar Fabian voor zal zorgen. Op 14 april 1981, dus twee maanden nadat ik op St. Joseph's begonnen ben, komt er pas een brief van Mijnheer Biam van de Benue State Schools Board, dat ik aangenomen ben. |
| Dr. Mohammed |
|
In de straat achter ons woont Dr. Mohammed, een jonge Egyptische arts, die net als alle andere buitenlandse artsen aangenomen is. Hij krijgt regelmatig zijn vrienden/collega's op bezoek om te schaken, Dr. John, Dr. Naquib en Dr. Saad. Mohammed koopt bij ons eieren en als hij van de saucijzenbroodjes hoort en ze proeft, plaats hij voor iedere week een bestelling als zijn vrienden komen. Ik ga ze zelf brengen, zo heet uit de oven. De heren drinken koffie, 'Nee,' zegt Dr. John, die klein is, met een buikje en een haakneus, als hij me ziet kijken, 'die mag je niet proeven, dat is Arabische koffie, die kun jij niet drinken,' en hij geeft me zijn mooiste glimlach. Dan, nog voor de kippen weg zijn, mis ik Dr. Mohammed. Hij komt niet meer voor eieren of saucijzenbroodjes. Als ik poolshoogte ga nemen, is zijn huis dicht. De eerstvolgende keer, dat ik in de buurt van het ziekenhuis ben, ga ik de compound in met het voornemen Dr. John te vragen waar zijn collega is. Tussen de drukte bij de gebouwen, zie ik Dr. Naquib en zijn vrouw een eindje voor me uitlopen. Hij is orthopedisch chirurg, zijn vrouw, Asmahan is gynaecoloog, en ik ben eens bij haar geweest toen ik blaasontsteking had. Plotseling klinkt er een heldere kinderstem boven het geroezemoes uit: 'Dokter, dokter Naquib, kijk eens hoe goed ik loop!' Een joch van een jaar of negen, tien, komt met een sneltreinvaart op krukken aangehinkt. Dr. Naquib vangt hem op in zijn armen. Ik blijf op een afstand staan om naar het tafereel te kijken. De dokter aait de jongen over zijn hoofd en zegt wat. Het knulletje lacht. De dokter knielt. Vanwaar ik sta, kan ik zien hoe teder hij het zieke beentje van de jongen onderzoekt. Hij schijnt tevreden te zijn, want hij knikt en schudt de hand van zijn kleine patiënt. Deze huppelt met veel bravoure op zijn krukken weg. 'Voorzichtig nou!' roept Dr. Naquib hem na. Ik loop op het echtpaar toe. 'Zo, daar ben je weer eens,' zegt Dr.Naquib en legt zijn arm om mijn schouders, 'hoe gaat het?' Dr. Asmahan knikt me vriendelijk toe. 'Goed, maar wat is er met Dr. Mohammed, ik zie hem niet meer.' 'Ah, Mohammed, die domme jongen,' hij schudt zijn hoofd. 'Die sufferd,' valt Asmahan in de rede, 'hij kon maar niet genoeg van de vrouwtjes krijgen, twee tegelijk moest hij er hebben, of nog meer misschien. Hoeren natuurlijk. Nou, dat heeft hij geweten.' 'Wat is er dan gebeurd?' vraag ik. 'Hij heeft gonorroe opgelopen, resistente gonorroe, weet je wat dat betekent?' Dr. Naquib neemt het over van zijn vrouw: 'Hij is terug in Egypte, want hij moet op een speciale manier behandeld worden, medicijnen helpen niet meer. Op kunstmatige manier moet er bij hem hoge koorts opgewekt worden, dan is het mogelijk dat de gonorroebacteriën vernietigd worden. Het is erg gevaarlijk.' We lopen door, en ik neem afscheid. Ja, denk ik, dat is wel erg sneu. Weg van de sociale controle in het thuisland, kan er van alles gebeuren met een knappe onstuimige jongeman. Ik had al gehoord van Dr. Asmahan, dat in Egypte de jonge meisjes zo streng bewaakt worden, dat jongemannen geen schijn van kans hebben op een vrijpartij of relatie. Jongemannen gaan daarom voor hun huwelijk met getrouwde vrouwen om, in het geheim natuurlijk. |
| Jet |
|
Als ik weer eens met Jet praat, vraagt ze me hoe ik het volhou om zo tussen de mensen te wonen. 'Ik probeer alles op een hoger plan te brengen.' 'Dat begrijp ik niet goed, wat bedoel je?' 'Ik zal het je uitleggen, vroeger wilde ik naar het klooster .....' 'Jij wilde non worden?' valt Jet me in de rede, 'en dan trouw je met een zwarte, dat is toch wel van het ene uiterste in het andere .....' 'Ik weet het. Ik realiseer me, dat de zwarte man de naam heeft van oversekst te zijn, maar je moet niet generaliseren. Fabian past totaal niet in dat beeld, hij is koel, altijd al geweest. Dat trok me in hem aan. Al dat seks gedoe, waar je hier steeds mee geconfronteerd wordt, jasses, het staat me vreselijk tegen. Zelfs de fysiotherapeut wilde dat ik zijn vriendin werd, hij had al een vriendin, en een vrouw met drie kinderen. Die vriendin, zei hij, krijgt van hem geen kinderen, ze doet er wat aan.' 'Slimme meid,' zegt Jet. 'Nou, hij kon me beloven, dat ik ook geen kinderen van hem hoefde te krijgen, je blijft lachen.' 'Geweldig! Dus, wat heb je gezegd? Je bent toch zeker wel tactisch geweest, anders dan knijpt hij je tot je blauw ziet, als je weer voor een behandeling komt.' 'Nou, ik heb gezegd, dat ik daar echt niet aan kan beginnen, dan blijf ik aan de gang, haha. En ik ga niet weer terug. Er was ook geen chaperonne, zoals er in het ziekenhuis altijd iemand bij is, als de dokter je onderzoekt, een verpleegster of een oudere man die achter het scherm blijft staan, maar wel alles kan horen.' Jet moet daarom lachen. 'Ja, echt,' zeg ik. | ![]() |
|
'Enfin, als het leven moeilijk wordt, herinner ik me de drie geloften, die ik wilde afleggen, en ik zeg tegen mezelf, zeur toch niet zo, je hebt ze nou toch? Ik zeg niet dat het niet moeilijk is, ik ben er een paar keer onderdoor gegaan, en ik vertel haar van de slaapkuur. Ze geniet van mijn verhaal.' 'Maar Jet, ik zag je op de markt in jeans.' Ze heeft nu ook een spijkerbroek aan, 'kan dat wel, geen enkele vrouw loopt hier in een broek.' 'Ja, laatst was ik op de markt en een man riep me na: 'Ben je man of vrouw?' 'En wat zei je?' 'Probeer me maar uit!' Ik schud mijn hoofd. 'Jet, kijk uit, je krijgt nog eens een pak slaag.' Ze lacht weer en we babbelen over andere dingen. Tegen het middaguur rij ik met een blij en tevreden gevoel naar huis, een pak koffiebonen naast me op de stoel. We zien elkaar niet veel, voornamelijk een paar minuten op de markt. Ze heeft een baan: de kampwinkel runnen, vandaar het pak koffie. Tomeck neemt de kinderen en mij een keer mee om te zwemmen in het zwembad van het Strabag kamp. Je komt er alleen in met een pasje. Jet kan geen pasje voor me krijgen, maar we mogen wel op dat van Tomeck mee naar binnen. Het is heerlijk in het water. Jammer, dat op de kant zoveel zandvliegjes zitten. Dat zijn minuscule vliegjes, kleiner dan een speldenknop. Hun beet geeft een schrijnend, branderig gevoel, dat erg pijnlijk is en uren aanhoudt. Ik ben die keer zo gebeten, dat ik niet wist waar ik het zoeken moest, ik kon bijna niet naar huis rijden. Na een paar maanden vertelt Jet me dat ze weggaan, Strabag is klaar met het werk. Vlak voor ze gaan, brengt ze me een doos levensmiddelen, kaas, koffie, thee, boter en blikken met ham, worst en kip, enz. 'Die worden toch weggegooid, ze zijn al afgeschreven,' legt ze me uit. Ze laat ook hun grote volière brengen, voor onze apen, dan kunnen die eindelijk hun houten kooi verwisselen voor een beter onderdak. Jammer genoeg heb ik nooit meer iets van haar gehoord. |
| bron van levenslust van inspiratie |
|
Father Avery kan alles maken, en weet van alles. Ik kom erachter, dat hij, voordat hij zijn post als hoofd van deze school kreeg, een ziekenhuis in de bush gebouwd heeft. Als er iets is, dat hij nog niet kan, dan leert hij het. Hij is erg sociaal en charmant, altijd even vriendelijk en bereid iemand te helpen, zijn voordeur staat altijd open, letterlijk en figuurlijk. Bij Father Avery thuis is het daarom een bijenkorf van mensen en activiteiten. Er is altijd wel wat gaande. Father's huis heeft twee kamers, eentje is zijn slaapkamer; de deur is op slot en zelfs de huisjongen, een oudere man die Linus heet, mag er niet komen. De grote kamer is in tweeën verdeeld door open boekenkasten. In het achterste deel staat een groot weefgetouw tussen allerlei hobby spullen, kastjes en stoelen. De tafel bij het raam in het voorste gedeelte is bezaaid met papieren, die te maken hebben met de school en de kerk. Father eet staande aan de tafel in de keuken, die aangebouwd is samen met de douche en het toilet. Er is altijd water omdat de school in Government Quarters staat. Tussen de middag, als Steve, de vrijwilliger, en ik met Father mee naar zijn huis gaan, drinken de twee mannen staande bier. Ik krijg meestal een glas bier en van Father mag ik ook wat te eten pakken uit de koelkast. Eens zei Steve tegen mij: 'Ha, al dat celibaat gedoe ..... de kat heeft vannacht jongen gehad onder Father's bed!' Als er een doodskist gemaakt wordt, zit ik in Father's huis een hoofdkussen voor in de kist te naaien. |
|
Winnie, Lawrence en ik gaan vaak naar zijn huis, na schooluren of op zaterdagochtend. Alexander heeft andere interesses en de enkele keer dat hij meekomt, is hij zo stil, dat Father eens zei: 'Een vreemde jongen, die zoon van jou.' Winnie mag alle kleurpotloden, verf en papier gebruiken die ze vinden kan. Ze tekent een mooie tekening van mensen in de nationale kledij. Lawrence komt om muziek te tapen. Ik ben begonnen met weven op het grote weeftoestel, dat Father zelf heeft gebouwd. Hij heeft ook een paar mooie boeken over weven geleend van een jonge vrouw op de kunstacademie. Ik heb nog nooit eerder geweven, Father helpt me om het te leren. Vooral het opspannen van de ketting is een enorm werk. Nigeriaanse vrouwen komen om koken te leren van Father. Ik breng bloem en gist mee om brood te bakken, want onze oven wordt niet meer heet genoeg. Een dochter van een van de vooraanstaande families gaat trouwen. Ze komt zelf de cake bakken samen met haar zuster en nicht. Het duurt dagen eer de bruidscake van drie lagen klaar is. Ze brengen hun eigen fornuis mee. Het staat in de achterkamer. De jongens van de school hebben, samen met hun leraar, het fornuis met een kabel door de huiskamer heen aangesloten. | ![]() |
|
De studenten worden vaker betrokken bij het leven buiten de school. Zo hebben ze de conferentiehal van het Seminarie van elektriciteit voorzien, terwijl twee jonge Nigeriaanse Zusters in Father's keuken marmelade maken voor de zestig paters, die daar in retraite gaan. De derdejaars loodgietersstudenten hebben een nieuw aanrecht in het Nativity Klooster geïnstalleerd. De nieuwe kathedraal aan de Ankpa Road, krijgt een afbeelding van Maria van Altijddurende Bijstand, want zo heet de kerk. Father heeft een afbeelding vergroot, de jongens van de lasafdeling maken van ijzeren staven de lijnen van de tekening. Erachter komt een groot stuk hout zodat de kleuren van Maria en het Kind ingekleurd kunnen worden. Het geheel komt achter bovenin de kerk. Het is een enorme klus en het vervoer door de stad nog een veel grotere bedoening. 'Waarom gaan jullie niet zwemmen?' vraagt Father Avery aan Lawrence en mij op een warme plakkerige middag. 'Zwemmen?' vraag ik, 'is dat wel veilig, krijg je daar geen bilharzia van?' 'Welnee,' hoor ik een stem achter mij. Het is Father Woods van de kerk aan de Oturkpo Road, 'ik zwem al jaren in de rivier. Dan hoor ik dat de bisschop eveneens komt zwemmen. De rivier is wel lekker koel, maar de bodem is vies, slijmerig en vol dingen waarvan je niet weet wat ze zijn. Het water wordt meteen troebel door de veengrond van de bodem. Als je eruit komt moet je douchen, want je bent overdekt met vezeltjes. Voor mij was het eens en nooit weer. |
| de zusters |
|
Bij Father komen veel mensen over de vloer, buitenlanders, Nigerianen en natuurlijk de Zusters. Zo maak ik kennis met zowel blanke als donkere nonnen. Ze zien er niet non-achtig uit, ze dragen korte rokken en een sluier, die een deel van hun haar vrijlaat. Een van de jonge Nigeriaanse Zustertjes (ik denk altijd aan hen als 'zustertjes') draagt wel eens een T-shirt. Father kijkt me alleen maar aan met een fijn lachje om zijn lippen, als ik zeg dat een strak T-shirt toch eigenlijk niet past bij een non. In de tijd dat Abigail elke dag bij me was, na de dood van haar dochtertje, praatten we wel eens over kleding. 'Vroeger droeg ik ook wel zulke leuke T-shirts,' zei ze, 'maar sinds ik getrouwd ben, vind ik dat niet meer zo passen.' Er is in deze stad niets, dat inspirerend werkt en als je niet over een hoop levenslust beschikt, word je zo duf als wat. Bij Father, die erg artistiek en handig is, voel je je goed en creatief. Er is meestal een uitgelaten stemming bij hem in huis. Thuis loop ik op mijn tenen om geen spanning op te wekken als Fabian thuis is. Hij brengt zo'n slechte stemming in huis dat ik blij ben, dat we een plek hebben waar we onszelf kunnen zijn. 'Wat mopper je toch,' zegt Lawrence, als ik over zijn vader klaag, 'hij is weg, dus geen last.' De school en alles eromheen is niet alleen goed voor mij, een weg om mijn gevoelens in positieve dingen om te zetten, maar ook voor Winnie. Zij tekent heel goed, en krijgt bij Father aanmoediging en aandacht. In Makurdi zijn twee kloosters. Het ene is het Nativity Convent in Government Quarters, waar Father elke morgen, behalve woensdag, de Heilige Mis leest. Het andere klooster is het Convent of the Holy Rosary aan de Otukpo Road, net buiten de stad. Dit is een gasthuis voor reizende Zusters. Zr Paulinus zwaait er de scepter. Zij is het moederlijke, huishoudelijke type, terwijl Zr Leontius, de andere non, klein en kwiek, een echte zakenvrouw is. Ze is opzichter over alle kloosters van de orde in het noordelijke deel van Benue State en rijdt stad en land af om de boel in de gaten te houden. Nativity Convent is een echt klooster, waar postulanten en novices zijn. Het moederhuis van de orde staat ergens in de bush. Daar hebben de Zusters groetentuinen en houden ze konijnen voor het vlees. Het klooster in de stad is gebouwd in een kruisvorm, met een tuin vol planten en bloeiende struiken en behalve dan de kruisvorm, doet het verder niet aan een klooster denken. Jonge Nigeriaanse meisjes krijgen, als ze na zes maanden postulaat, novice worden, een opleiding als verpleegster of onderwijzeres. De drie blanke Zusters in Nativity, Zr. Catherine (Moeder Overste), Zr Monica (novicemeesteres) en Zr. Margaret (haar functie weet ik niet), en de twee Zusters in de Holy Rosary komen uit Ierland. Van de Nigeriaanse Zusters, die ik bij naam ken, is Zr. Anna de oudste, zij wordt naar Amerika gestuurd om een opleiding tot Moeder Overste te volgen. Zr. Justina loopt mank, ze heeft kinderverlamming gehad toen ze een kind was, en dan zijn er nog Zr.Theresa en Zr. Clara. Ik ben kind in huis in het klooster, en samen met de Nigeriaanse Zusters hebben we een kazuifel gemaakt met borduurwerk voor Fr. Taylor van de nieuwe kathedraal in Ankpa Quarters, voor zijn 25-jarig priester jubileum. |
| de buurvrouw mevrouw Ibeh |
|
'Goedemiddag,' hoor ik achter me, als ik naast het huis poolshoogte neem van de afvoer van de keuken, een gat in de grond onder het keukenraam. Het is een zogenaamde soak-away, gevuld met keitjes, waar het afwaswater tussenin wegzakt. Er groeit suikerriet in de vochtige grond. Ik draai me om en zie mijn buurvrouw Ibeh staan. Ze is pas bevallen van een zoon, dus vraag ik hoe het met de baby gaat. Het is haar zesde kind. Ze antwoordt dat het goed gaat. Dan zegt ze aarzelend: 'Zeg, heb je ..... eh, ....., je weet wel nog?' ik weet niet waar ze het over heeft. Na veel vijven en zessen komt het eruit, ze wil mijn kinderwagen overnemen. 'Als je die tenminste nog hebt.' 'Winnie is al acht, nee, die kinderwagen heb ik allang niet meer.' 'En, denk je er niet meer over om nog ..... eh ..... kinderen te krijgen?' 'Welnee, ik heb genoeg aan drie.' 'Ja,' zegt ze, 'bij jullie is het niet de gewoonte om veel kinderen te hebben, maar hier,' en ze gaat rechtop staan, zoals je dat hij een haan ziet voor hij gaat kraaien, 'bij ons in Nigeria krijg je zoveel kinderen als je maar kunt!' In Nigeria moet je wel veel kinderen hebben, want dan heb je hulp op het land en verzorging op je oude dag. Ik antwoord daarom: 'Met verzekeringen en pensioenen is het bij ons niet meer nodig om veel kinderen te hebben. En wij willen niet veel kinderen, want je moet ze allemaal laten studeren.' 'Ja, daar ben ik het mee eens, de kinderen moeten een opleiding krijgen.' 'Maar niet alle kinderen gaan naar school, toch? De huismeisjes en de huisjongens gaan meestal niet.' 'Nee,' geeft mijn buurvrouw toe, 'die kinderen gaan niet naar school.' 'Als je bij ons een kind niet naar school stuurt, kom je voor de rechtbank, want onderwijs is verplicht.' Van die mededeling kijkt ze op. Het onderwijs in Nigeria is ook verplicht, maar ik weet, dat haar huismeisje niet naar school gaat. 'Er is toch een avondschool voor kinderen, die overdag op kleintjes moeten passen?' herinner ik haar. Die school is van half vijf tot zeven uur. 'Onderwijs is erg belangrijk voor alle kinderen,' ga ik door, 'dan kunnen de mensen begrijpen dat als ze belasting betalen, de regering dingen voor hen kan doen, zoals een uitkering bij werkeloosheid en ziekte.' 'De regering is niet te vertrouwen, ze stoppen alles in eigen zakken.' 'Tja, dan zit je in een vicieuze cirkel. Dan maar aanpassen door veel kinderen te krijgen, in plaats van het systeem te doorbreken.' 'Jullie weten alles zo goed,' haar stem klinkt nijdig als ze zich omdraait en wegloopt. Ik heb het meisje gezien, dat de Ibeh's van hun eindeloze familie uit hun geboortedorp gehaald hebben om op de baby te passen, als het zwangerschapsverlof van mijn buurvrouw om is. Van Emeka, hun zoon, hoor ik dat zijn vader de ouders van het kind, ze is niet ouder dan een jaar of negen, betaald hebben om haar een jaar bij hen te laten werken. Selene heeft me verteld, dat hun huismeisje in de keuken op een mat op de vieze betonnen vloer moet slapen en niet meer dan één oude wrapper heeft. Ze moet water halen, het huis aanvegen, koken en als de ouders naar hun werk zijn, op de baby en de kinderen, die nog niet naar school gaan, passen. Laatst zag ik, dat ze de baby van de drie treden hoge stoep van de boys' quarters, liet vallen. Een paar weken na het gesprek met de buurvrouw, vraag ik Emeka, of hun huismeisje naar de avondschool gaat, want ik zie het kind om die tijd nooit meer. Hij zegt, dat ze naar school mag van zijn moeder. |
| ontslag |
|
Er komt een brief voor mij van het Ministerie van Onderwijs, ik ben ontslagen. Ik ga er Father Avery over raadplegen. 'Hoe kan dat nou? Nog niet lang geleden was er een inspecteur op school, die vond dat ik goed les gaf.' 'Tja,' zegt Fr. Avery, 'het beleid is nu, dat, als ze ergens een Nigeriaanse kracht kunnen inzetten, ze geen buitenlanders willen.' Hij betreurt het, want nu is er weer niemand voor Engelse les. Er zijn geen Nigeriaanse leraren die Engels op St. Joseph's willen geven. Father Avery heeft twee secretaresses. Ik heb hem eens gevraagd waarom dat zo is. Ik zie niet dat ze veel doen, ze hangen meestal lui op hun stoelen. 'Maria was er eerst. Omdat ze altijd zwanger is, heb ik Ngozi erbij genomen.' 'Kunt u dan Maria niet ontslaan, ze is toch eigenlijk niet nodig.' Hij schudt zijn hoofd maar legt het niet uit. Met mijn ontslag, ontslaat hij beide secretaressen en stelt mij in hun plaats aan. Hij betaalt mij uit zijn eigen salaris, want het Ministerie voorziet niet in het salaris voor de school secretaresse. In mijn nieuwe positie kom ik meer met de jongens in contact, ze komen naar me toe als ze gewond raken in de werkplaats, als ze papier nodig hebben, of als ze willen praten. Ik vind dat ik er op vooruit gegaan ben. |
| het huis der deuren |
|
Dat is de naam die Lawrence aan ons nieuwe huis in Katsina Ala Street geeft: er is één grote huiskamer waarop zes deuren uitkomen. Door het bestuderen van een boek over sterrentekens, dat Lawrence voor me heeft achtergelaten toen hij naar Ibadan vertrok, begin ik langzamerhand te geloven, dat Fabians gedrag misschien toch niet persoonlijk bedoeld is. Onze sterrentekens vormen de minst harmonieuze verbinding van allemaal! Behalve zijn karakter, is het misschien daaraan te wijten, dat hij zo vreemd tegen me doet. Hij is nu eenmaal zoals hij is. Pas als ik op een keer met Winnie zit te praten, kom ik tot een ontdekking, die langzaamaan mijn houding en mijn verdriet, zal veranderen. Winnie en ik hebben samen, in mijn kamer, haar huiswerk gedaan. 'Waar is je vader?' vraag ik haar. 'Die is uitgegaan,' zegt ze. 'Nu al? Ik had hem wat willen vragen.' 'Papa is toch maar een nare vent, nietwaar, mama?' Ik schrik: 'Wat zeg je daar?' 'Nou, hij is toch altijd weg, en laat jou steeds alleen. Hij is al die tijd bij Mary, en die heeft zelf een man. En hij zit altijd in de club en hij geeft ons niet eens genoeg geld,' zegt ze verontwaardigd over zoveel onrecht. Ik hoor mijn eigen woorden uit haar mond komen. Later denk ik erover na. Mijn moeder sprak eveneens zo laatdunkend over mijn vader en klaagde altijd over hem. Maar mijn vader was een hele aardige man. Dus zo gaat het, de boosheid van de moeder wordt het erfdeel van het kind. Ik moet ophouden met op die manier over Fabian te denken en te praten. Het is niet goed voor de kinderen. In Engeland kwam er een moment, dat ik het opgaf om zijn aandacht te krijgen. Ik zocht een baantje buitenshuis. Nu begin ik me te trainen om me niet meer aan hem te ergeren, zodat ik neutraal tegenover hem kom te staan. Als ik merk, dat de anderen in huis niet erg op hem gesteld zijn, raak ik er van overtuigd, dat hij het niet op mij gemunt heeft, zoals ik altijd heb gedacht. |
