Stamboom familie van Elsacker
aantekeningen bij het onderzoek naar de stamboom / het geslacht van Elzakkers
en aanverwante families


versie 08 mei 2018

      Loenhout

        Wij vragen ons in deze tijd vaak af,
        waar wij naar toe gaan.
        Wellicht ware het beter
        eens na te gaan
        vanwaar wij komen.

      Inhoud


      Loenhout

      De naam schijnt "esdoornbos" te betekenen. Loenhout is een landelijke gemeente gelegen op de noordoostelijke grens van het arrondissement Antwerpen. Loenhout telde in 1976 2930 inwoners en was 3111 ha groot. Ten westen vloeit de Grote AA, die de scheiding vormt met Wuustwezel en het oostelijk deel wordt doorsneden door de E-19. De bebouwde kom ligt in het westen. Loenhout behoort sedert 01-01-1977 tot de gemeente Wuustwezel. In vergelijking met de omliggende gemeenten Wuustwezel, Brecht en Hoogstraten heeft Loenhout eerder een kleine oppervlakte en in verhouding ook een kleinere bevolking. Loenhout omvat de gehuchten Huffel, Neerven, Popendonk, Sneppel en Terbeek. De oorsprong van het dorp is Frankisch. De eigenlijke ontginning werd echter pas ingezet onder keizerin Maria Theresia. Loenhout was van oudsher een landbouwdorp en is dit tot op heden gebleven met weiland, voedergewassenteelt, een weinig tuinbouw en een sterk ontwikkelde pluimvee- en varkensteelt.
      De dorpskern van Loenhout, de Huffel geheten, bestaat eigenlijk uit twee centra. Het ene wordt gevormd door het kerkplein, het andere is van oorsprong een echte Frankische driehoek en ligt ten noorden van het kerkplein. Het tweede plein heet nu de Oud Dorpsstraat, maar werd voorheen "de Plaetse" genoemd. Aan dit plein staan enkele fraaie oude huizen, vanouds bekend als de "Elsackerhuizen". De oudste behuizing treft men aan rond de Oud Dorpsstraat (met o.a. het SchaliŽnhuis en de Secretarishoeve) en de oude verbindingsweg Wuustwezel-Hoogstraten (met de parochiekerk, de St Quirinuskapel, de pastorie en de tiendenschuur).
      De oudste blijk van de bemoeienis der van Elsackers met het SchaliŽnhuis dateert van 26-08-1560. Op die datum kocht Michiel van Elsacker, mijn stamovergrootvader, het huis van Jacob van der Vloet, schout te Wernhout. Het SchaliŽnhuis was een brouwerij en een herberg, waar de schout en de schepenen van Loenhout hun vergaderingen hielden. Het brouwen van bier, dat van zeer groot belang was in een tijd dat veilig drinkwater schaars was, werd door zeer vele landbouwers aan huis gedaan even als het houden van een herberg overigens.

      Het kasteel (aan de Hofdreef) werd gebouwd ter plaatse van een 15e eeuwse waterburcht die verschillende malen van eigenaar veranderde. Alleen de noordelijke traptoren met korfboogvormige muuropeningen en enkele moerbalken met versierde sloffen bleven bewaard. Het huidige kasteel zou ge(ver?)bouwd zijn in 1746 door Jan Walckiers. In 1841 kwam het kasteel aan de familie Montens die het volledig vernieuwde en restaureerde.
      Als heerlijkheid werd Loenhout in leen gehouden van de graaf van Hoogstraten. De kleine heerlijkheid Popendonk werd rechtstreeks van de hertog van Brabant verheven. Vanaf de 16e eeuw worden beide heerlijkheden steeds als ťťn geheel beschouwd. Verscheidene families hebben gedurende kortere of langere tijd de heerlijkheden in hun bezit gehad. De oudst gekende heer van Loenhout was Daniel van Bouchout, burggraaf van Brussel. In 1453 liet hij een nieuw leenboek opstellen.

      De heren (vrouwen) van Loenhout:

      De heren (vrouwen) van Loenhout:

      (onbekend)Daniel van Bouchout
      1472-1476Margaretha van Bouchout
      1479-.....Jonker Everaert van der Marck
      1541-.....Robbrecht I, graaf van der Marck
      1545-1575Margaretha van der Marck
      1575-1611arel de Ligne
      1611-1634ouis Perez de Baron
      1634-1661atharina Leonore Perez de Baron
      1661-1675Louisa Adriana Perez de Baron
      1675-1687Philibert Vaca de Soto Mayor
      1687-1705Johan Louis van Siegen van Sechten
      1705-1728Louisa Bernardina Herry
      1728-1729Petrus Herry
      1729-1734Filip Jacob van der Laen
      1734-1768Jonker Jean Baptist Walckiers de Gammerages
      1769-1799Jan Jozef Walckiers de Gammerages
      1799Ė1806Peter Frans Stevens
      1806Ė1818Pierre de Pauw
      1818-1819Jean Claude Bernardin
      1819-1838Ridder Jacobus Van Beeck-Vollenhoven
      Alhoewel Loenhout in de administratie van het hertogdom Brabant tot het kwartier Hoogstraten behoorde, heeft het zich steeds kunnen onttrekken aan de invloedssfeer van Hoogstraten. Loenhout had steeds een eigen schepenbank, bestaande uit 7 schepenen die ook in de criminele zaken bevoegd waren. Omwille van de bestaande wegen was Loenhout veel meer georiŽnteerd op Wuustwezel en, zij het in mindere mate, op Breda. Het was trouwens bij de schepenbank van deze stad dat de Loenhoutse schepenen tot aan de Vrede van Munster ten hoofde gingen. Nadien nam Antwerpen deze functie over. De oudst gekende schepenbank (in 1411) van Loenhout bestond uit: Jan Peeterssone, Peeters van der Ast, Meeus Laureyns, Weyeman van der Beke, Henric Lodewijcx, Geert de Wolve en Heynric Peeter Heijlens. In 1470 waren dit Jan Heylen, Jan van der Ast, Lenaert van der Buyten, Cornelis Bode, Jan Lodewijcx, Wouter de Bije en Henric Hovelmans. Hoeveel van deze namen komen nu nog in de gemeente voor?
      Loenhout heeft drie molens gehad. De jongste, die een stenen molen was, is door de oudste Loenhoutenaren nog gekend. De twee andere dateren van in de oudheid. Een houten windmolen was gelegen aan de Molenakker. Tijdens een storm in 1911 is hij omgewaaid en nooit meer hersteld. Hij was toen eigendom van de familie Van Dijck. Maar er was nog een watermolen gelegen op ter Eyck, daar waar nu nog de Watermolenbrug gekend is. Over deze molen is weinig bekend. Hij wordt zeer weinig in de archieven vermeld. In december 1481: "doen de molen verbrant was dat die Cornelis (de molenaar) voirtvluchtich is gewest ende dat de rentmeester is comen ende heeft die hoije vercocht sonder vonnis ende sonder recht...." Wij vernemen verder dat de borgen worden aangesproken om voor de schade op te komen: "Heyn van Aken als rentmeester heeft begeert beset te hebben de borch van den molen...". Wanneer de watermolen terug is opgebouwd is blijkbaar niet meer geweten. Alleszins is dit eerst na 1513 gebeurd. Veel later vinden wij een akte van 15-05-1564 waarin gecertifieerd wordt dat: "Jan de molenaere Claessone den tijt van tien oft elff jaren in pachtinghe heeft gehadt tot diverse jaren ende pachtinghen soo de watermolen als de wintmolen van mijne ghenadige Heere de Grave van Arenbergh ....."

      Op kerkelijk gebied behoorde Loenhout oorspronkelijk tot het bisdom Luik. Met de oprichting van de nieuwe bisdommen in 1559 kwam Loenhout onder het aartsbisdom Mechelen en vanaf 1570 ressorteerde het onder het nieuwe bisdom Antwerpen. Het patronaatsrecht over de kerk van Loenhout werd in 1277 verworven door de St Bernardusabdij, die later ook de tienden hiervan verkreeg. Vanaf 1420 werd de functie van pastoor steeds door een monnik van die abdij waargenomen.
      De parochiekerk, toegewijd aan St-Petrus en St-Paulus, is een laat-gothische kerk en werd gebouwd rond 1525. De toren echter zou reeds dateren van vůůr 1485 en werd gerestaureerd in 1756. Herstellingswerken werden uitgevoerd in 1853, 1866, 1885, 1923, 1928 en 1935. In het oorlogsjaar 1940 werdt het gebouw en het meubilair zwaar beschadigd. Herstellingswerken werden uitgevoerd in de periode 1949-1951.


      van Elsacker: bewoners van de Huffel te Loenhout

      De Oud Dorpsstraat te Loenhout droeg in vorige eeuwen andere namen: de Huffel of Plaetse. Een enkele keer noemt men ze zelfs "Veemarkt", een aanwijzing dat er vroeger soms markt werd gehouden . Het is een mooi, schaduwrijk pleintje geweest, met prachtige grote, oude bomen, die nu verdwenen zijn. Tot ver in de vorige eeuw had het pleintje geen bestrating, wat op oude fotoís duidelijk te zien is en wat ons een beeld van romantische landelijkheid geeft, maar wat onze voorouders wel veel ongemak bezorgd zal hebben. Een echte Frankische driehoek met aan alle zijden oude kempische boerderijen, die gelukkig niet allemaal plaats hebben moeten ruimen voor moderne huizen.
      De geschiedenis van de familie van Elsacker is met dit loenhoutse pleintje verbonden. Niet voor niets worden de twee karaktervolle oude huizen, het "SchaliŽnhuis" en de "Notarishoeve" ook wel de "Elsackerhuizen" genoemd. Al vanaf het jaar 1560 woonden de van Elsackerís op de Huffel. Buiten het "SchaliŽnhuis", thans eigendom van echtpaar Sus Vissers, en de "Notarishoeve", thans eigendom van het doktersechtpaar Van Imschoot, vinden we in de archieven vele sporen van andere huizen die op de Huffel hebben gestaan, maar die nu verdwenen zijn. Met al die huizen hebben de van Elsackerís in min of meerdere mate te maken gehad, meestal als eigenaar, vaak ook als bewoner voor langere of kortere tijd.
      De archieven, waarin we de sporen van deze oude huizen terugvinden, gaan terug tot in de jaren 1500. De oudste zijn de chijnsboeken van de heerlijkheid van Loenhout en Popendonk uit 1530 en uit 1566 . Daaruit blijkt dat zowel ten zuiden als ten noordoosten van het "SchaliŽnhuis", dat al van vůůr die tijd bestaat, reeds behuisd was, vrijwel op dezelfde wijze als nu.
      Een duidelijke onderbreking in de voortgang van de behuizing is veroorzaakt door de verwoesting van het land rondom Antwerpen en ook van Loenhout en omgeving in de jaren í80 van de 16e eeuw, in de godsdienstoorlog tegen Spanje, die leidde tot de scheiding, van de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. Dankzij een overzicht van het jaar 1593 , waarin de toestand in Loenhout vergeleken wordt met die uit 1580, vůůr de verwoestende oorlog dus, is bekend dat een zeer groot deel van de boerderijen en huizen toen platgebrand of verwoest waren. Ook de huizen op de Huffel waren grotendeels zwaar beschadigd. Sommigen werden gerestaureerd, zoals het "SchaliŽnhuis". Anderen werden geheel vervangen door nieuwe huizen en kregen dan andere namen, zoals het "Goet ter Heyden", waarover we na 1593 niets meer vernemen. Ook de in oostelijke richting gelegen "Peerhoeve" waar in 1580 de schout van Loenhout, Jan van Vollenhoven, woonde was afgebrand. Wel vinden we later het huis en de herberg "de Leuw", dat in 1580 eveneens eigendom was van Jan van Vollenhoven en toch ook "affgebrant ende desolaet" was in 1593. De twee hofsteden die naast het "SchaliŽnhuis" stonden en beiden afgebrand waren, overleefden tenslotte ook niet en werden in 1617 vervangen door een geheel nieuw huis voor Michiel Janszn van Elsacker en zijn gezin.
      Van de 69 huizen die in 1580 op de Huffel en de rest van het dorp Loenhout stonden waren er in 1593 42 (ofwel 60%) afgebrand, verwoest of verlaten en vervallen. Van de 19 ploegen die er in 1580 alleen al in het dorp geweest waren, waren er in 1593 nog slechts 4Ĺ over.

      De loenhoutenaren worden spottend de "pezeriken" genoemd (pezerik = varkenspees). De pezerik werd gebruikt om zagen, schoenen, enz.. te smeren. De pezerik (= bullepees) werd opgehangen onder de luifel naast de achterdeur. Men verhaalt dat dit werd gedaan omdat men weinig tijd had om te schoven. Sommigen zeggen dat de loenhoutenaren dus harde werkers waren, volgens het spreekwoord: "ergens de pees op leggen".
      Over de geschiedenis van Loenhout verschenen slechts weinig wetenschappelijke werken. In 1938 schreef A.J. Van Aken een "Geschiedenis van Loenhout", maar dit boekje geeft slechts een beknopt overzicht van de voornaamste gebeurtenissen. Wel verwijs ik naar twee aanraders, de brochures van Mevr. Drs M. P. Neuteboom-Dieleman, uit Goirle en telg uit de van Elsacker stam, over het Schalienhuis en over de Secretarishoeve en die een zeer hoog wetenschappelijk gefundeerd niveau bereiken. Voor verdere artikelen dient men zich dus volledig te steunen op het archief. Het is soms beangstigend te moeten vaststellen hoe halve waarheden of foutieve interpretaties geschreven worden en die dan een eigen leven gaan leiden.
      Wanneer men eenmaal zoiets op papier heeft gezet, dan gaat de lezer dit geloven en gaat hij dit voor waarheid aannemen. Men gaat dan soms meer geloof hechten aan dit feit dan aan de mensen die hun onderzoek doen aan de hand van de documenten, en waaruit dan blijkt dat het dikwijls toch anders is geweest dan beschreven werd. Het is dus wel niet nodig om te wijzen op het belang van deze archieven voor de geschiedenis van Loenhout en van bepaalde families van Loenhout, te meer omdat het oudste leenboek teruggaat tot het jaar 1453.


      De goedwillige lezer weze er van overtuigd dat alle nuttige gegevens en aanvullingen over de geschiedenis van Loenhout en over de familie van Elsacker mij steeds welkom zijn. De anderen verzoek ik de woorden indachtig te zijn, die ik overschrijf uit een oud pedagogisch boekje:

      "Nemet in danck, al ist niet constich gedaen syn, Wat ut goedtheyt geschiedt moet jonstich ontfaen syn."

      Herman Van Elsacker, Deurne 18-05-2000