Stamboom familie van der Eem
aantekeningen bij het onderzoek naar de stamboom / het geslacht van der Eem



versie 08 mei 2018

      Oorsprong en wapen

      Over de oorsprong van de familienaam 'van der Eem' bestond vooralsnog onduidelijkheid. Overigens is Eem een verbastering van het woord Aam, dat water betekent.
      Oorspronkelijk werd er van uit gegaan dat de naam 'van der Eem' verbonden was aan het riviertje de Eem in de provincie Utrecht. Met de nadruk op een (voormalig) gebied/ambacht aan de Eem rond Amersfoort.
      Ook werd gedacht aan een gebied nabij de plaatsen Eemnes en Eembrugge. In Eembrugge staat, gelegen aan de Hooge Aa, een eeuwenoud huis genaamd Huis Ter Eem.
      Nadere studies van derden wijzen echter anders uit.

      De volgende wetenswaardigheden zijn op te tekenen:


      De geschiedenis rondom het ontstaan van de familienaam en het wapen

        Onderstaande tekst is ontleend aan een onderzoek door ene heer Bot, die zijn teksten heeft vergaard uit: 'De Wapenheraut' 7e jaargang 1902, bladzij-den 453 456, door Mr. H.J. Koenen. Naast een aannemelijke verklaring van de familienaam Both van der Eem, echter niet die van 'van der Eem', levert dit onderzoek ook nog andere belangrijke wetenswaardigheden op.

      Het dorp Eemskerk of Eemkerk in de Zuidhollandse Waard heeft zijn naam ontleend aan het water de Eme of Eem, welke zich daar ter plaatse verenigde met de Alme. Deze laatste liep vanuit het Land van Altena westwaarts, langs Uitwijk, Werthuizen, het huis van Altena, Almkerke, Emmichhoven, Nieuwerkerk, op de Alme en Eemskerk: hier nam zij, zoals gezegd, de Eem op, om samen bij Almsvoet uit te lopen in de Oude Maas.
      Tengevolge van de bekende St.Elisabeths Vloed, zijn de toestanden in die streek zozeer gewijzigd, dat het niet gemakkelijk valt, zich van de vroegere gesteldheid een duidelijke voorstelling te maken (zie Elisabethsvloed).

        aanvullende informatie bij landkaart: kaart van de Groote of Zuidhollandsche Waard van vóór de St.Elisabethsvloed van 1421 met midden onder op de kaart het dorp Eemkerke aan de Eem (rood omcirkeld) en oostelijk daarvan Almkerk aan de Alm. De Alm doorkruist het land van Heusden en Altena.

      Gijsbrecht Both van der Eem, van beroep ridder, was in 1275 Ambachtsheer van Eemskerk, als ook van enkele andere aangrenzende ambachten, welke samen onder de naam de 'Heerlijkheid van der Eem' werden geschaard.
      Heer Gijsbrecht Both van der Eem, die met zijn halfbroer van moederszijde Heer Gijsbrecht Boekel in 1284 voorkomt onder de borgen van de heer van Amstel en diens broeders, moet een aanzienlijk en vermogend edelman zijn geweest!
      In 1303 vindt men weer een Gijsbrecht (of Gijsbert) Both van der Eem vermeld. Waarschijnlijk een zoon van de voorgaande. Hij bevindt zich onder degenen die beloofden de moordenaars van Graaf Floris uit het land te zullen houden.
      Zijn dochter of kleindochter Johanna Both van der Eem komt in 1347 als erfdochter van de Heerlijkheid Eem voor en was getrouwd met Gerard, Heer van Gennep. Uit dit huwelijk is een erfdochter voortgekomen, die met Reinoud van Brederode is getrouwd. Zij noemden zich heer en vrouwe van Gennep en 'van der Eem', zoals blijkt uit een oorkonde uit 1373, waarbij zij beloven de ruwaard, hertog Albrecht, schadeloos te houden van het verzetten van de Heerlijkheid van der Eem. Zij hadden namelijk deze Heerlijkheid verpand aan de heer van Polanen van de Lek en het schijnt, dat uit die verpanding later een verkoop is voortgekomen.
      Het geslacht nu, dat in de 13e eeuw met het ambacht van Eemskerk, ook wel het Ambacht van de Eem geheten, beleend was heette oorspronkelijk Both.

      Dit bovenstaande doet vermoeden dat de naam 'van der Eem' voortkomt uit het geslacht Both, die later tot Both van der Eem werd. Toch is dit bevreemdend, omdat in het onderzoek ook naar voren komt:

      Bij het verdrag, dat Dirk, heer Van Altena in 1212 met Jan, heer van Heusden, sloot, waren beiden vergezeld van verschillende familieleden en leenmannen. Tot het gevolg van den heer van Altena behoorden Theodorus But, Caesarius de Brakel, Arnoldus de Havendunc en Wilhelmus de Anle. In 1241 worden Nicolaas van der Eem en diens zoon Hendrik, dienstmannen (ministeriales) van den heer van Altena genoemd.

      Dit duidt er op dat het geslacht Van der Eem al eerder haar familienaam had aangenomen en dat het geslacht Both van der Eem van een andere orde is en vooralsnog geen directe relatie heeft.

      In het onderzoek komt nog een belangrijke passage voor:

      Nadat het geslacht Both van der Eem in de rechte lijn was uitgestorven, en Eemskerk in andere handen was overgegaan, schijnen er jongere takken van dit geslacht te zijn blijven voortleven, want men treft de naam Both van der Eem ook nog later aan.
      In het boek '"Wapens van Nederlandschen Adel' staat ten aanzien van de familiewapens vermeld (op bladzijde 303) het geslacht Both van der Eem, die voorheen in de provincie Utrecht gevestigd geweest moeten zijn, die voerden: in blauw een zwemmende zilveren bot, in het schildhoofd vergezeld van drie zilveren lelin naast elkaar, en (op bladzijde 325) het geslacht 'van der Eem', eveneens afkomstig uit de provincie Utrecht, die voerden: in rood drie rechtopstaande zilveren botten (vissen). Al deze geslachten zullen, hoewel ze later meer in de nabijheid van de Amersfoortse Eem gevestigd waren, hun naam Eem aan de Eem in de Zuidhollandse Waard hebben ontleend en zullen als jongere takken van het oude Zuidhollandse geslacht Both zijn te beschouwen.

      Deze laatste strofe van de laatste alinea is dus zeer twijfelachtig. Het is veel aannemelijker dat het geslacht 'van der Eem' eerder heren waren van de 'Heerlijkheid van der Eem', doch dit hebben 'afgestaan' aan de ridder Gijsbrecht Both!
      Verder onderzoek is dus vereist.

        aanvullende informatie bij wapens: de hier afgebeelde familiewapens zijn afkomstig van het Centraal Bureau Genealogie.

      Door het Centraal Bureau Genealogie (CBG) worden de volgende verklaringen afgegeven.
      In blauw een bot vergezeld in het schildhoofd van drie lelies naast elkaar, alles zilver. Een vijftal documenten behandelen dit wapen.
      1. G.A. Delft, W. van der Lelij: 'Namen en wapenen der Edel Agtbaaren Heeren Bailliuwen, schouten, burgemeesteren en de schepenen, mitsgaders pensionarissen, thesauriers en secretarissen van s Gravenhage', blz.16;
      2. Wapenen der steden, dorpen en heerlijkheden in Utrecht gelegen, blz. 17, 18, 20, 50 en 51;
      3. Reinier van Heemskerck, Waapen boeck van adelijke en aanzienlijke famiellien in de 17 provintien van de Nederlanden. Alle uit de waapens en grafzerken en cachettenbij een versamelt en op het alphabet gesteld, ca. 1790, blz.32;
      4. Collection de 2266 armorries de familles nobles et particiennes des Pays Bas, ca. 1825, blz. 196;
      5. G.A. Delft, W. van der Lelij: Namen ende Wapenen der Edelen Presidenten, Raaden, ende verdere Ministers in de respective Hoven van Justitie in Holland, blz. 34.
      Het wapen zou toebehoort hebben aan de volgende families en personen (het cijfer verwijst naar het hierboven omschreven gegevens):
      Both van de Eem 3) en Both van der Eem 4);
      Cornelis Both 2), Raad van de domeinen van het land Utrecht, 1592;
      Everard Both van der Eem 5), Substituut griffier van den Hoogen Raad, benoemt 26-10-1599, overleden 01-02-1634;
      Mr. Evert Both van der Eem 1), Raad en rentmeester generaal van de domeinen van het land Utrecht, 1675, advitam;
      Frans Both 2), Burgemeester van Utrecht, 1577;
      Folkert Both 2), Raad en rentmeester generaal van de domeinen van het land Utrecht, 1612;
      Mr. Hendrik Both van der Eem 2), Schepen, 1638, Burgemeester van Den Haag, overleden .-.-1656;
      Mr. Pieter Both van der Eem 2), Burgemeester van Utrecht, 1676 en
      Voloken Both 2), Burgemeester van Utrecht, 1603.;

      In rood drie verticale botten, vergezeld van een ster tussen de bovenste twee, alles zilver. Slechts n document behandelt dit wapen, zonder verdere mededeling over de personen aan wie dit wapen zou hebben toebehoort.
      1. Reinier van Heemskerck, Waapen boeck van adelijke en aanzienlijke famiellien in de 17 provintien van de Nederlanden. Alle uit de waapens en grafzerken en cachetten bij een versamelt en op het alphabet gesteld, ca. 1790, blz.16.
      Het wapen zou toebehoort hebben aan de familie (Both) van der Eem.


    Gegevens uit het Utrechts Archief

    In de Monumenta van Aernout Buchel, een boekwerk over de Utrechtse kerken en kloosters komen we de familiewapens ook tegen.

    Monumenta passim in templis ac monasteriis Trajectinae urbis atque agri inventa

    Onder deze titel vervaardigde rond 1615 de Utrechtse oudheidminnaar Aernout van Buchel of Buchelius (1565-1641) tekeningen in kleur en zwart/wit met beschrijvingen van de grafzerken, wapenborden, inscripties en andere historische bijzonderheden van hoofdzakelijk kerken in Utrecht. Hij had vooral belangstelling voor de genealogie en heraldiek betreffende de oude Utrechtse geslachten. De Monumenta passim in templis ac monasteriis Traiectinae urbis atque agri inventa is geschreven in het Latijn en telt 300 bladzijden. Het is een belangrijke en veel geciteerde historische bron geworden, onder andere omdat veel van wat Van Buchel aantrof inmiddels verloren is gegaan. De gegevens zijn over het algemeen tamelijk betrouwbaar, maar een professionele tekenaar was hij zeker niet. Vele andere handschriften van Van Buchel zijn eveneens bewaard gebleven. Het grootste deel berust in Het Utrechts Archief en in de Universiteitsbibliotheek van Utrecht.




    Het ambacht van de(r) Eem

      aanvullende informatie bij de opgewerkte kaart: Ligging van het ambacht rond circa 1300 op de kaart van J.C. Ramaer. Bestaande uit de Eem, Uitalm, Opalm en de helft van Herradeswaard, waarvan de andere helft aan de heren van Dussen toebehoorde.

    De Groote (of Zuidhollandse) Waard werd een feit toen in 1285 de ringdijk rondom de waard gesloten werd en omvatte drie oorspronkelijke polders: de Dortse Waard, noordelijk gelegen tussen de rivieren De Merwede en de (oude loop) Maas en de Dubbel; de Tieselenswaard, westelijk gelegen tussen de (oude loop) van Maas en Dubbel; en tenslotte het oude reeds bestaande deel van de Groote Waard, ten zuiden van de (oude loop) Maas.
    De heerlijkheid van de Eem bevindt zich ongeveer in het midden van bovenstaande kaart. De (tot nu toe) oudste verwijzing naar deze heerlijkheid vinden we in een oorkonde uit 1242 waar sprake is van Nicolaas, dictus die Ema, en Gijsbrecht die Ema. Deze heerlijkheid heeft niets te maken met het plaatsje Eemkerk dat zich aan de monding van de Eem bevindt en waarvan de oudste verwijzing dateert uit het jaar 1216. De heerlijkheid strekte zich uit tot een veel groter gebied en heeft zijn naam ontleend aan de toenmalige zijarm de Eem.
    Toen het ridderlijk geslacht Both werd beleend (of gekocht?) met de heerlijkheid van de Eem, werd zij ook als zodanig vermeld met Both van de(r) Eem. Het wapen bestond uit drie rechtstaande vissen (botten) in zilver op rood. Later zien we dat deze familie zich opsplits in minstens drie verschillende familienamen: (de oorspronkelijke) Both, welke zich in de 14de en 15e eeuw zich ook wel eens 'van der Eem' noemden, 'van der Eem', die als wapen een rechtopstaande vis (bot) in zilver op blauw gebruikten, en de adelijke tak Both van der Eem, welke uitstierf met de laatste erfdochter Johanna Both van der Eem (overleden voor 1374). De heerlijkheid ging over op de dochter van Johanna en Jan van Gennep, waarna een verkoop plaatsvond aan de heer van Polanen en van de Lek (1373/1374).
    Na de Sint-Elisabethsvloeden van 1421 en 1424 veranderde het landschap stilaan. De ondergelopen gebieden werden niet meer teruggewonnen en wat overbleef was van de nog bewoonbare plaatsen liep leeg omdat er geen broodwinning meer was. Stenen gebouwen werden afgebroken en elders hergebruikt. En polder dat ondertussen bedijkt is en in de voormalige heerlijkheid lag, heet Stenen Muur. Daar ligt alleen nog een fundering ter hoogte waar vroeger het klooster Eemstein lag, gesticht voor 1382 door de rijke Dordtenaar Reinoud Johannes Minnebodensoon. Deze stichting werd bekrachtigd in een brief van 1382. Later (vanaf 1385) staat dit klooster bekend als Minnedael. Kort na de vloed werd dit klooster herbouwd in de Kijfhoek (Zwijndrecht).
    In het repertorium van de hofstede Altena worden twee personen genoemd die optreden als getuigen, maar wie geen lenen bekend zijn: Gijsbert die Bot, ridder (1315) en Hendrick die Both, knaap (1315-1321).

    Eemkerk

    Kerk te Eemkerk.

    19 april 1380: Reynoud Johan Minneboedensoen doteert het Sint-Jan Evangelistenaltaar in de kerk van Eemkerk en begiftigt met de kapellanie heer Michiel Alardssoen van Ameronghen, terwijl de collatie bij zijn erfgenamen zal blijven.
    1385: Reynoud Jan Minnenbodesoen geeft zijn toestemming, dat de door hem gestichte kapellanie in de kerk van Eemkerk verenigd word met de pastoors-prebende van die kerk, en draagt zijn collatie-rechten over aan het kapittel, als eigenaar van die kerk, en aan de proost van Eemsteyn. 1385: Het klooster Minnendael, vroeger Eemsteyn genoemd, verzoekt het kapittel, om Michael Alardsz. van Ameronghen als 'vicaris curatus' van de kerk van Eemkerk aan de aartsdiaken van Utrecht voor te dragen.

    Eemstein (klooster vanaf 1377, later Minnendael genoemd).

    Op 14 juli 1377 verkregen Reinoud Johan Minnebodezoon en zijn vrouw Sophie toestemming van Hertog Albrecht van Beieren, graaf van Holland, om op hun landgoed Eemstein uit eigen middelen nabij Eemkerk (circa n uur gaans van Dordrecht) een klooster te stichten. Reinoud was een burger van Dordrecht en naar alle waarschijnlijkheid uit het geslacht Van Brakel. In 1382 bekrachtigde de Utrechtse bisschop Florens van Wevelinkhoven de stichting van een kerk en klooster die onderdak zou bieden aan dertien kanunniken onder leiding van een proost. Het Augustijnenklooster werd gewijd aan de Verlosser. De kloosterlingen droegen 'witte caputsen met vierkante zwarte bonnetten en witte subtilen'. Eemstein verkreeg dankzij Reinoud het visrecht op de Merwede, tot dan toe in het bezit van de abdij van Heisterbach in de Dordrechtsche Waard. Dit recht werd door het klooster aan derden verpacht. Ook financierde hij in 1395 een reis van een Utrechtse kanunnik naar Rome om de stichting van het zogenaamde Kapittel van Windesheim te laten bekrachtigen, een kloostervereniging waar ook Eemstein bij was aangesloten. Het klooster, het vierde in een reeks van 84 mannen- en 13 vrouwenkloosters van de congregatie, beleefde een snelle groei.

    Voor de Sint-Elisabethsvloeden (1421-1424):

    1382: Bisschop Florens bekrachtigt de stichting van een klooster van 13 reguliere kanunniken van Sint-Augustinus-orde onder het bestuur van een proost door Reinold Minebode op het goed Eemsteyn in de parochie van Eemkerk, zoals dit geschiedt in de hier ingelaste brief van de stichters van.
    1385: Reynoud Jan Minnenbodesoen geeft zijn toestemming, dat de door hem gestichte kapellanie in de kerk van Eemkerk verenigd word met de pastoors-prebende van die kerk, en draagt zijn collatie-rechten over aan het kapittel, als eigenaar van die kerk, en aan de proost van Eemsteyn.
    1385: Het klooster Minnendael, vroeger Eemsteyn genoemd, verzoekt het kapittel, om Michael Alardsz. van Ameronghen als 'vicaris curatus' van de kerk van Eemkerk aan de aartsdiaken van Utrecht voor te dragen.
    1385: Bisschop Florens maakt enige bepalingen aangaande de inrichting van het klooster Eemsteyn, nu Mijnnendael genoemd, ter verduidelijking en aanvulling van de door hem goedgekeurde stichtingsbrief (1382).
    1 februari 1394: Schepenen van Baarle oorkonden dat Angnes van Lovene, dochter wijlen Liesbeth van Loven, geschonken heeft aan kartuizers en klooster Eemsteijn samen: erfpacht uit goederen.
    12 december 1398: Schepenen van Woudrichem oorkonden dat Gijsbrecht van Riede overdroeg, aan Aarnt Gijsbrecht Neisenzn, voor kartuizers en broeders van klooster Eemsteijn: huis en hofstad (=bouwkavel).
    1403: Verzoekschrift door prioren en conventen van de kloosters van de reguliere kanunniken van de orde van Sint-Augustinus, te Windesheim, Eemstein, bij Arnhem, Hoorn, Amsterdam, Zwolle en Leiden, aan het kapittel van de Dom, de ingelaste brief van bisschop Frederik, waarbij hun toegestaan is jaarlijks een algemeen kapittel te houden op de wijze van de karthuizers, te willen bevestigen.
    23 mei 1420: Richter in De Werken, Gijsbert Walwijn, oorkondt, dat voor hem en heemraden van De Werken, Jan, procurator der Regulieren van Eemstein, vanwege zijn prior en convent, samen met zijn voogd Aarnt Iduszn heeft gegeven aan Dirk Simon Abbenzn, voor Jacob Boeyen, priester: 5 morgen en 1 hond aan Hoge zijde van De Werken.
    31 maart 1424: Jan Claeszn, priester en kanunnik te Den Briel, testeert en bepaalt dat hij een schenkingen doet, onder andere aan het klooster te Eemsteijn: 8 lb. hollands. Bron: Ons Voorgeslacht, pagina 309.

    Na de stichting (1435) in Kijfhoek:

    9 juni 1442: Aelbrecht, broeder te Naaldwijk, verkoopt aan het Carthuizer convent van Sint-Beatrijsberg te Koblenz de jaarlijkse erfrente bedragende 18 gouden schilden op de visserijrechten bij Sliedrecht, de uitgestrektheid van de visserijrechten te nemen vanaf het tijdstip dat het convent van regulieren te Eemstein deze verkreeg van het convent van Heijsterbach.
    1444: Akte waarbij door de prior van het klooster Eemsteijn verklaard wordt dat hij ter bewoning aan de Cellebroeders te Haarlem een huis met erf gelegen aan de Suikerstraat heeft gegeven.
    18 september 1450: MCCCC ende vijftich achtyen dage in septembrii. Schepenen van Dordrecht verklaren dat Adrijaen Celensz. But aan het klooster Eemsteijn een stuk land heeft overgedragen gelegen in Maasdam.
    11 april 1458: MCCCC acht ende vijftich opten elfften dach van aprill. Schepenen van Dordrecht bekrachtigen in het jaargeding de overdracht door Adrijaen Celensz. But aan het klooster Eemsteijn van een stuk land gelegen in Maasdam.
    1469: Akte van bevestiging door bisschop David van Bourgondi van de stichting van het Cellebroedersklooster door het klooster Eemsteijn en het klooster Rugge bij Brielle.
    1554: Schepenakte van verkoop door de prior van het klooster Eemsteijn aan de executeurstestamentair van Peter Tonisz. de Wint van een erfrente op zes morgen land gelegen in Kijfhoek voor een mis op het Sint-Erasmusaltaar in de Grote Kerk.

    Verhandelingen vr de St. Elisabethsvloed met betrekking tot land in en rond de parochie Eemkerk.

      aanvullende informatie:
      morgen land: oude akkermaat, oppervlakte-eenheid voor akkerland, hetzelfde woord als 1 morgen is 1 ochtend. Met een morgen werd een gebied aangeduid dat in een ochtend kon worden geploegd. De precieze grootte van een morgen was niet overal gelijk, maar besloeg over het algemeen ongeveer 1 hectare. Een belangrijke maat in Nederland was de Rijnlandse morgen (0,85 hectare), die voor de invoering van het metrieke stelsel zelfs enige tijd een officile standaardmaat is geweest.
      tiend: het zelfstandig gebruikte rangtelwoord tiende, als naam voor een belasting aan gebruikers van gepachte grond, die bestond uit ongeveer een tiende deel van de daarop geoogste gewassen of geboren dieren, te betalen aan de landheer.

    Tienden tussen de Alm en de Mitgrave in de parochie van Eemkerk.
    • 6 augustus 1320: Charters, waarbij het kapittel in pacht en in erfpacht uitgeeft.
    • 1 februari 1359: Charters, waarbij het kapittel in pacht en in erfpacht uitgeeft.
    • 1 februari 1359: Charters, waarbij het kapittel in pacht en in erfpacht uitgeeft.
    • 28 juli 1378: Charters, waarbij het kapittel in pacht en in erfpacht uitgeeft.

    Tienden van 55 morgen land ter Eem.
    • 28 maart 1344: De officiaal van de aartsdiaken van Oudmunster bepaalt een dag ter behandeling van het geschil tussen het kapittel en jonkvrouw Johanna, dochter van Ghiselbert Bot van der Eem, aangaande het recht van de laatste op de tienden van 55 morgen land ter Eem, door haar grootvader van het kapittel in pacht genomen.

    Verschillende grove en smalle tienden aan de Alm in de parochie van Eemkerk.
    • 3 november 1357: Charters, waarbij het kapittel in erfpacht uitgeeft verschillende grove en smalle tienden aan de Alm in de parochie van Eemkerk.
    • 7 december 1358: Charters, waarbij het kapittel in erfpacht uitgeeft verschillende grove en smalle tienden aan de Alm in de parochie van Eemkerk.
    • 30 juli 1377: Charters, waarbij het kapittel in erfpacht uitgeeft verschillende grove en smalle tienden aan de Alm in de parochie van Eemkerk.
    • 10 april 1394: Charters, waarbij het kapittel in erfpacht uitgeeft verschillende grove en smalle tienden aan de Alm in de parochie van Eemkerk.

    De tiende aan de korte zijde van de Eem; gepacht van Sint Pieter; de tiende boven Eemdam tussen Blokhalsbrug en Eemkerk, gemeen met [Gijsbert] Bot van der Eem, gepacht van Sint Pieter; de tiende aan de Uitalm van Almonde opwaarts in het ambacht van (Gijsbert) Bot van der Eem, gepacht van Sint Pieter; (1357: de tiende in Moesiebroek aan de lange zijde van de Eem, belast met pacht voor het kapittel van Sint Pieter).
    • 25 november 1294: Toegewezen aan Hadewig, zuster van Aleid van Strijen, gehuwd met Nikolaas van Putten, voor haar erfdeel van Willem van Strijen, haar vader, en diens vrouw op 200 pond hollands en afstand van de vrouwe van Randerode, haar grootmoeder.
    • 1 september 1295: Gijsbert, deken, en het kapittel van St.-Pieter te Utrecht geven de tienden aan de Eem en de Uutalme in erfpacht aan Aleid, dochter van heer Willem van Strijen en echtgenote van heer Nicolaas van Putten.
      Bron: Uitgave a. VAN DEN BERGH, OHZ, II, 1873, p. 419, nr. 914, naar C. Regesten ERNSTING - WINSEMIUS, Regesten Putten en Strijen, 1969, p. 10, nr. 33. - VAN DER GOUW, Rekeningen Putten, II, 1980, p. 261, nr. 33.
    • 1304: (De tiend boven Eemdam liggende aan de Langezijde van de Eem tussen Bloccale brugge en Eemkerk) - Mijn vrouwe van Breda, suster veren Alide der vrouwen van Putte ende van Striene, heeft den tiende die leght boven Emedam and ie langhe zide van der Eme tusschen Bloccale brugge ende Emekerke, gemene mitten Bot van der Eme, die men hout van den selven heren (=kapittel Sint Pieters)
    • 31 oktober 1349: Filips van Axel bevestigd.
    • 10 februari 1357: Arnout en Willem, zoons van Hessel Arnoutsz, eventueel te komen op hun vader.
    • 1378:(De tiend van Moysebroec in de parochie van Eemkerk) - Brief van de officiaal van Utrecht, waarbij heer Gherard van Poelgeest van het kapittel voor 6 jaren in pacht neemt de tiend van Moysebroec in de parochie van Eemkerk, op de voorwaarden, vervat in de hier ingelaste brief van het kapittel van 1378.

    48 morgen land boven Eemdam aan de Langezijde.
    • 25 november 1294: Toegewezen aan Hadewig, zuster van Aleid van Strijen, gehuwd met Nikolaas van Putten, voor haar erfdeel van Willem van Strijen, haar vader, en diens vrouw op 200 pond hollands en afstand van de vrouwe van Randerode, haar grootmoeder.
    • 13??: Mijn vrouwe van Breda, suster veren Alide der vrouwen van Putte ende van Striene, heeft XLVIII merghen lands, die leggen boven Emedamme an die lange zide ende VIII lb hollants in die bede van den mannen van Striene bante.

    Een kamp land in Opalm van 3 morgen 3 hont in Doidenkamp van de dijk af.
    • 16 augustus 1415: Opdracht door Tielman Govertsz.

    3 1/2 (13**: 4) morgen land (1361: aan de Opalm) achter het huis, waar Jan [Venedau], zijn vader, (1361: de leenman) in woont.
    • 27 oktober 1357: Hendrik Venedau. [de zwager van Margaretha van Arkel, 1366], (overleden in 1369).
    • 1361: Hendrik Venedau.
    • 18 april 1399: Jan Venedau Hendriksz.
    • 31 juli 1415: Gijsbert van den Poel, ridder, ten eigen bij overdracht door Hendrik van Klootwijk voor Jan Venedau in ruil voor een ander leen.

    De tiend genaamd Langezijde in de parochie van Eemkerk.
    • 1 oktober 1375: De officiaal van Utrecht veroordeelt Henric Arnoldsz. van Schoonhoute, om aan het kapittel de verschenen pachtpenningen van de grove en smalle tiend, genaamd Langheside, in de parochie van Eemkerk te betalen. Met transfix, waarbij Aegidius van der A. verklaart, de inhoud van deze brief ter kennis van Henric Arnoldusz. van Schoonhoute gebracht te hebben.
    • 2 oktober 1375: De officiaal van Utrecht veroordeelt Henric Arnoldsz. van Schoonhoute, om aan het kapittel de verschenen pachtpenningen van de grove en smalle tiend, genaamd Langheside, in de parochie van Eemkerk te betalen. Met transfix, waarbij Aegidius van der A. verklaart, de inhoud van deze brief ter kennis van Henric Arnoldusz. van Schoonhoute gebracht te hebben.
    • 17 juni 1378: Charters, waarbij het kapittel in pacht uitgeeft de tiend genaamd Langhezide in de parochie van Eemkerk.
    • 19 juni 1388: Charters, waarbij het kapittel in pacht uitgeeft de tiend genaamd Langhezide in de parochie van Eemkerk.

    Nieuwerkerk (aan de Alm)

    Een (1511: koren-) tiend in Nieuwerkerk in het ambacht van Gijsbert Bot (1511: in Muilkerk in Zuid-Holland) ten noorden van de Alm, strekkend van het Dijkweer, behorend aan Jan Venedau, tot het Kerkweer, dat inbegrepen is; de smaltienden aldaar van Jan Venedau tot Heloord, belast met 40 schilden. Utrechts jaarlijks, zijnde de pachtsom voor het kapittel Oudmunster, te betalen voor de brug van het huis Altena (1569: die beide zonder profijt zijn, omdat de percelen in de Verdronken waard liggen); (1472: vermeerderd met 4 paar zwanen; 1569: jaarlijks 5 pond waardig).
    • 13??: Jan van der Dussen, ridder, als borg van Altena vermeld 1305.
    • 13 augustus 1317: Jan van der Dussen, ridder.
    • 1 augustus 1322: Jan van der Dussen, ridder, die houdt van Altena, maakt lijftocht van Agnes zijn vrouw, op 150 pond, bevestigd door Jan van Drongelen, zijn 'broer', Jacob Neve, Jan Brievinc en Hendrik Marienz.
    • 16 juni 1323: Lijftocht van Agnes, gehuwd met Jan van der Dussen, ridder, op 75 pond hollands eventueel op 14 morgen in Dussen naast Jan van Drongelen, zijn 'broer', waar diens molen op staat, bevestigd door Jan, zijn zoon.
    • 23 september 1387: Arnout van der Dussen, zoals heer Floris van der Dussen, zijn vader.
    • 23 september 1390: Heer Arnout van der Dussen.
    • 8 december 1390: Lijftocht voor Hadewig, dochter van Jan van Dordrecht, gehuwd met Arnout van der Dussen, op 100 oude schilden.
    • 16 april 1391: Arnout van der Dussen heer Florisz.
    • 14 mei 1408: Jan van der Dussen bij dode van Arnout, zijn vader.
      (na de St. Elissabtehsvloed)
    • 1472: Jan van der Dussen met de zwanen vermeld.
    • 26 augustus 1503: Floris van der Dussen bij dode van Jan, zijn vader, met de zwanen.
    • 2 november 1511: Dirk Adriaansz voor Jan van der Dussen bij dode van Floris, diens vader, met het geheel.
    • 28 augustus 1549: Covert van Brecht, ambachtsheer van Dussen, voor Cornelia van der Dussen, zijn vrouw, bij dode van Jan, haar broer.
    • 13 april 1569: Cornelia van der Dussen, gehuwd met Govert van Brecht, heer van Dussen, ridder, vermeld.

    Een tiend in Nieuwerkerk aan de Alm in het ambacht van Bot van der Eem (1403: tussen de Kerklaan en de Heloord).
    • 1 augustus 1322: Jan van der Dussen, ridder, die houdt van Altena, maakt lijftocht van Agnes zijn vrouw, op 150 pond, bevestigd door Jan van Drongelen, zijn 'broer', Jacob Neve, Jan Brievinc en Hendric Marienz.
    • 25 juni 1403: Heer Dirk van Hodepijl zoals van Altena.
    • 12 augustus 1434: Jan van Hodenpijl bij overdracht door Dirk, zijn broer.

    Uitalm Een tiend te Uit-Alm.

    • 13??: Item heer Daniel van Tolleusen houd van mijn heere een tiende an die Uitalme met heeren Roelof de Coc ghemeene.

    Goederen te Uit-Alm.
    • 13 december 1418: Akten van overdracht voor schepenen van Delft door Marie van Kralingen, weduwe van Jan van Almonde, aan haar zonen Willem, Filips en Cornelis en haar dochter Lijsbet, echtgenote van Jan Arendsz. Boot van haar goederen in Almsvoet, Uitalm en Strijen.
    • 24 april 1419: [Akten van overdracht] door Willem van Almonde aan Cornelis, zijn broer, en Jan Arendsz. Boot, zijn zwager, van zijn aandeel in dezelfde goederen [in Almsvoet, Uitalm en Strijen].

    Voornsaterwaard

    1.3 morgen land aan de Opalm in Voornsaterwaard voor Samuels deur in de middelste kamp aan de westzijde, beiderzijds: erven Samuel.
    Onder de lenen van Brederode troffen wij er twee aan, die naar alle waarschijnlijkheid afhankelijk waren geweest van de hofstede Eemstein, die in 1421 ten onder ging met de St. Elisabethsvloed. Dit is te meer aannemelijk, omdat een ander stuk van het gehele perceel leenroerig was aan de hofstede Boxtel, die ook van de familie 'van der Eem' had gerfd. (Bron: 'Repertorium op de lenen van de Hofstede Eemstein onder Dussen (1391-1568)', door J.C.Kort, Ons Voorgeslacht 1997, pagina 164)
    • 26 april 1391: Samuel van der Sluis Araoutszn bij overdracht door Aleid Vetke Samuelsdr, weduwe Pieter van Giessen, beleend door Johan van Brederode en Gennep.
    • 2 september 1392: Samuel van der Sluis Arnoutszn, te komen op Jan, zijn zoon bij Christina, zijn vrouw.
    • 20 juli 1529: Arnout Samuelszn bij verzuim, waarna overdracht aan Joost Spiering van Aalburg.
    • 1 januari 1532: Dirk Ottenzn voor Hugo Spiering van Aalburg voor Nikolaas Spiering van Aalburg bij dode van Joost, diens vader.
    • 19 oktober 1563: Hugo Spiering voor Agnes Spierings, zijn nicht, bij dode van Nikolaas Spiering van Aalburg, haar vader, na verzuim.
    • 2 augustus 1568: Gijsbert Herdt voor Agnes Spierings, zijn vrouw.

    Leen 40: Een tiende in Voornsaterwaard, die de heer van Putten houdt van Altena, gedeeld met [Gijsbert] Bot van der Eem (1347: in het ambacht van Johanna van der Eem aan de Uitalm, strekkend in de Eem).
    • 24 februari 1284: Willem, heer van Strijen, neef van de leenheer Willem van Hoorne, heer van Altena, te lossen met 70 pond hollands.
    • 2 februari 1285: Willem, ridder van Horn, heer van Altena, verkoopt aan zijn neef Willem, heer van Strijen, de helft van de tienden in 'Vorensater Waert' in heer Gijsbrecht Bocs ambacht, met de bepaling dat hij die tienden tegen Pasen van het volgende jaar kan terugkopen voor 70 pond Hollands; en verklaart de koopsom te hebben ontvangen.
    • 22 september 1286:Het goed van de heer van Strijen niet te versterven.
    • 25 november 1294: Toegewezen aan Hadewig, zuster van Aleid van Strijen, gehuwd met Nikolaas van Putten, voor haar erfdeel van Willem van Strijen, haar vader, en diens vrouw op 200 pond hollands en afstand van de vrouwe van Randerode, haar grootmoeder.
    • 1304: Mijn vrouwe van Breda, suster veren Alide der vrouwen van Putte ende van Striene, heeft den tiende die leght an die cortside van den Eme, die men hout in pachte van den heren van sinte Pieters van Utrecht.

    Het leen 40 wordt gesplitst in 40A en 40B:
    40A. De helft van het leen.
    • 5 april 1347: Rudolf die Kok van Opijnen, neef van de leenheer.
    • 6 maart 1355: Lijftocht van Mabelia, dochter van wijlen Jacob van Zuilen, ridder, gehuwd met Rudolf die Kok, ridder.
    • 8 mei 1392: Opdracht door Jan van Opijnen behoudens de lijftocht van Belie, weduwe van Rudolf die Kok, zijn oom.
    • 5 mei 1414: Arnout die Kok van Opijnen zoals Rudolf, zijn oom.

    40B. De helft van het leen, (1413: gedeeld met de vrouwe Van der Eem).
    • 5 april 1347: Daniel van de Merwede Dirkszn, neef van de leenheer, vermeld.
    • 6 maart 1355: Daniel van Tolloisen, neef van de leenheer, vermeld.
    • 13??: Daniel van de Merwede, ridder.
    • 9 juni 1389: Dirk van de Merwede, (zoon van Hendrik van Waas), zoals Hadewig van Strijen en Rozendaal en Daniel van Tolloisen, zijn oom.
    • 2 mei 1398: Dirk van Zuilen Zwedersz.
    • 29 maart 1413: Dirk van Zuilen heer Zwederszn.



    de Kerk te Nigtevegt (Loenen)

      In de kerk bevinden zich een twaalftal wapenschilden, die daar in 1677 zijn opgehangen ter nagedachtenis aan de 'goede' burgers.
      aanvullende informatie bij pentekening: dorpsbeeld van Nichtevecht aan de Vecht, getekend in 1666.

    Geschiedenis van Nigtevecht

    Om een indruk van het kerkgebouw te krijgen, is het goed, iets uit de geschiedenis van het dorp te weten, omdat de kerk en de toren daarvoor duidelijk aanwijzingen geven.
    Over de betekenis van de naam Nigtevecht lopen de meningen uiteen. En der afleidingen is de volgende. In de middeleeuwen heette de Vechtstreek 'Niftarlake'. Niftar betekent: 'na, achter, langs', laka 'waterloop'. Niftarlake betekent 'de gouw langs het water' en werd later vervangen door Niftarvechta, de gouw langs de Vecht. Tenslotte ging de naam van de gouw over op het dorp in deze gouw. Nigtevecht = Nigftarvechta zou dat betekenen 'langs de Vecht'.
    Er is geen jaar vast te stellen, wanneer het dorp ontstaan is. Wel is bekend, dat de streek, waarin het ligt, al voor 1027 door Friezen was bewoond. De naam Nigtevecht komt het eerst in de geschiedenis voor in een officieel stuk van bisschop Jan van Utrecht, gedateerd 7 oktober 1327. Hierin wordt Nigtevecht een schoutambacht genoemd.
    Het kerkelijk archief bevat vele oude geschriften. Maar uit de lang vervlogen tijden vanaf het ontstaan van het dorp zijn twee getuigen overgebleven, die wel door ouderdom en oorlogsgeweld werden aangetast, maar toch nog veel kunnen vertellen van de vroegere bouwtrant en van belangrijke episoden uit de geschiedenis van ons land. Dat zijn de toren en de kerk. De stijl en het bouwmateriaal van de toren bewijzen, dat deze bouwwerken in de 13de eeuw tot stand zijn gekomen. De aanwezigheid van rondboog en spitsboog duidt er op, dat kerk en toren zijn gebouwd in de tijd, waarin de Romaanse stijl overging in de Gotische bouwtrant. Andere gegevens daarvoor zijn de steensoort, de gemetselde kruisgewelven in de toren en de consistoriekamer (de voormalige sacristie) en de driezijdige koorsluiting.
    Tijdens de restauratiewerkzaamheden kwam een gedeelte van een tweede fundering zichtbaar, waardoor het aannemelijk is, dat voor 1200 op dezelfde plaats een kleinere kerk heeft gestaan.
    Al is er geen jaartal voor het ontstaan van Nigtevecht bekend, vast staat dat het een oud dorp is.
    De oudste afbeeldingen van het dorp dateren van 1666. In het Koninklijk Huisarchief te s-Gravenhage bevinden zich acht tekeningen uit de collectie Schoemaker en Stellingwerf. Ze vormen een zeldzame en kostbare verzameling, die door Koningin Wilhelmina waren aangekocht. Op twee tekeningen komen de kerk en de toren uit 1666, dus vr de grote brand in 1673, voor, terwijl zes tekeningen uit de tijd na 1673 een indruk van het landschap om Nigtevecht geven.

      informatie bij de foto's: het interieur van de kerk met aan de wanden de 12 wapenschilden.

    De wapenschilden

    De twaalf wapenschilden zijn in 1677 opgehangen 'ter Eere van brave geslachten, wegens hunne Ed. Christelijke Edelmoedigheid, en Milddadige Giften, gedaan ter wederopbouwing van de afgebrande Kerk en Tooren, door de Moetwillige Franschen, in den Jaare 1673'. Ze komen goed op de witte kerkmuren uit en dragen bij tot verhoging van de historische sfeer van het interieur.
    Hier volgt de lijst van de wapens. De gegevens zijn ontleend aan 'Genealogische en heraldische gedenkwaardigheden in en uit de kerken der provincie Utrecht', tenzij anders vermeld. De kerk binnenkomende door de toreningang bevinden zich aan de rechtermuur acht en aan de linker vier wapenschilden, achtereenvolgens rondgaand rechts:
    • Tegenover de preekstoel het wapen van de familie Kuysch volgens Mr. Dr. J. W. Verburgt. Gouden Sint-Andrieskruis op rood.
    • Het wapen van de familie Van Oosten. Drie golvende zilveren dwarsbalken op blauw. Volgens Mr. Dr. J. W. Verburgt is dit wapen van de familie Coymans .
    • Het wapen van de familie Both van der Eem. Een zilveren vis (bot), waarboven drie zilveren Franse lelies op blauw.
    • Boven de zijuitgang bovenaan het wapen van de stadhouder Prins Willem III.
    • Hieronder links: het wapen van de familie Van Tuyl van Serooskerken. Op een veld van zilver drie rood-getongde, rode brakkenkoppen..
    • Rechts hiervan: het wapen van de familie Becker. Op zilver een blauwe keper, beladen met vijf gouden sterren, vergezeld van drie groene klaverbladen (2 boven, 1 beneden).
    • Het wapen met vijf rode kepers op zilver, waarvan de herkomst onbekend is.
    • Het wapen van de familie Taets van Amerongen. Een horizontale rode balk op zilver. Verdergaand aan de linkermuur:
    • Het wapen van de familie Valckenaar. Drie rode ruiten op zilver.
    • Het wapen van de familie Van Reede (heer van Nederhorst enz.). Twee getande, zwarte, horizontale balken op zilver.
    • Het wapen van de familie Hettinga. Drie groene eikels op goud.
    • Het wapen van de familie Roosendaal, volgens Mr. Dr. J. W. Verburgt. Rode roos met gouden kern op goud.

    Het wapen boven de 'heerenbank' is dat van het echtpaar Pieter Reael, heer van Vreeland en Nigtevecht, geboren in 1650, overleden in 1701, gehuwd in 1683 met Maria Eleonora Huydecoper. (zie ook bij Het Avondmaalsstel).
    Het grafbord is van Jacob van Dam (van Isselt) van 1733, met alle kwartieren (zijwapens), links die van Van Dam, Zegwaart, Poeyt, Gravesteyn; rechts die van Graafland, Van der Ven, Van Hoorn Kloek.
    Het polychromeerwerk van genoemde wapenborden en opschriften werd gerestaureerd door de sier- en wapenschilder J. S. Beekmann te Amsterdam