| versie 27 januari 2026 |
| opent dit document zich zonder verhalenlijst in de kolom links, gebruik dan deze link om naar alle verhalen bij parentelen te gaan en ontdek nog meer familieverhalen. |
| 'Nigeria, en terug' begint met een serie eerste verhalen, maar zal zich eventueel telkenmale uitbreiden tot een omnibus, een verzameling. |
| Nigeria, en terug |
| voetstappen langs mijn tuinhek |
|
Wie lacht niet die de mens beziet. Sinds kort woon ik in een kleine buurtschap aan de rand van een middelgrote stad. Er staan enkele tientallen straten met seniorenwoningen, waarvan de mijne er een is. De rijtjeshuizen hebben een vrij lange achtertuin, die op een pad uitkomt. Aan mijn kant van de straat is hier en daar is dat pad verbreed tot een klein park, een hofje, met prachtige oude bomen, struiken en een paar banken. Er is ook een parkeerplaats. Daar de meesten van mijn buren nog autorijden of fietsen, wordt de achterdeur vaker gebruikt dan de voordeur. Als het lente wordt en nog meer in de zomer, is iedereen in de tuin bezig, zit in de zon of praat over de schuttingen met de buren. In kort, het leven speelt zich voornamelijk af via de achterdeur. Daarom geeft de stille straat met de eentonige huizen een oninteressante indruk, maar als je door die achterdeuren kijkt, dan kom je tot de ontdekking dat de bewoners allesbehalve saai zijn. In tegendeel, ieder heeft, in het lange leven dat achter de rug is, zijn of haar karaktereigenschappen bekrachtigd en tot een karikatuur omgesmeed. Dit betreft niet alleen de manier waarop men de wereld tegemoet treedt, het komt ook duidelijk tot uiting in houding en lichaamstaal. Mijn tuin heeft een schutting rondom met een hek, dat een twintig centimeter van de grond af eindigt. Als ik in mijn tuin zit, zie ik de voeten van iedereen die voorbij komt. Al gauw ken ik die voeten en de mensen die erbij horen, alsmede de honden, die meegaan op de wandeling of op visite.
De buurtschap, waar we wonen, heet De Vaart, de naam komt van de brede sloot, die gegraven werd voor het afwateren van de polder. De woningen die aan beide kanten van de vaart gebouwd werden, waren voor de arbeiders bestemd, die in de polder werkten. De straat, die zo ontstond, werd de Vaartstraat genoemd. Toen de polder klaar was, en de arbeiders naar elders vertrokken, werden ze verhuurd aan ouderen, die, om de een of andere reden, niet bij hun kinderen konden wonen. De meeste huizen van deze wijk zijn oud en staan op de lijst van beschermd dorpsgezicht. Je moet hier echter geen interessante of karakteristieke huisjes verwachten. Het zijn heel gewone arbeidershuizen. Aan het eind van de wijk zijn een paar jaar geleden huizen afgebroken, die zo oud en vervallen waren, dat er niet langer in gewoond kon worden. Die zijn vervangen door moderne woningen en een enkel flatgebouw. De hele wijk is omgeven door land waar niet gebouwd mag worden. Daar zijn wandelpaden en grote stukken gras met laag geboomte, banken, speelveldjes en stukken waar honden vrijuit mogen rennen en spelen. De straten in de wijk, die om de oorspronkelijke huizen heen gebouwd werden, hebben namen met 'Vaart': Korte Vaart, Kromme Vaart, Vaartpad, enz. Midden in de wijk loopt dus de Vaartstraat. Zo op het oog is het een hele kleurloze straat, zonder bomen of ander openbaar groen. De middenweg is opvallend breed want daar liep indertijd de vaart, die, jaren geleden op verzoek van de bewoners, gedempt is. Indertijd was die vaart een stukje natuurschoon, met riet langs de kanten, wilgen, waterlelies, met eendjes en zwanen. Op een dag reed een man met zijn rolstoel naar de kant om de eendjes te voeren. Helaas deed de rem op zijn voertuig het niet en belandde hij in de vaart en verdronk. Natuurschoon of niet (in die tijd was men nog niet natuurbewust, en zeker die oudjes niet), de andere bewoners stonden erop, dat de vaart gedempt werd. Ondertussen hebben er al meerdere generaties senioren in de Vaartstraat gewoond, met als enig natuurschoon in hun straat de tuinen, sommige betegeld met een paar potten geraniums, andere vol bloemen of struiken.
Het is een mooie zomermiddag als je op bezoek komt. Na onze omhelzing en de gebruikelijke opmerkingen over hoe we eruitzien, het is al enige tijd geleden dat we elkaar zagen, breng ik je naar de tuin waar de theekopjes en de koektrommel al klaar staan. Ik ga naar binnen om thee te zetten. 'Dit is een kijkdoos', zeg ik tegen je, als ik met de theepot in mijn hand terugkom, 'let op, het is vanmiddag een komen en een gaan.' Er schuivelen een paar kleine schoenen langs, hoge hakken met kousenbenen, een lange rok tot op de enkels. 'Dat is Loeki', zeg ik. 'Loeki is losing her marbles.' Je kijkt me aan, 'Wat bedoel je?' 'Tja, dat is Engels, het is een mooie manier om te zeggen dat iemand aan het dementeren is. Loeki zegt niet veel zinnigs meer.' 'Kan ze dan nog alleen wonen?' vraag je heel terecht. 'Ja, ze heeft veel hulp, en haar dochter komt iedere dag, en dan is er nog de buurvrouw, die op haar let. Maar een dezer dagen, zal ze toch opgenomen moeten worden.' Loeki werd in het zuiden van het land geboren als Louise. Maar zo gauw ze naar Rotterdam ging om te studeren, wilde ze Loeki heten. Ze leerde voor coupeuse en modetekenen, en hoopte ooit modeontwerpster te worden. Zover is ze niet gekomen, maar ze heeft wel bij een van de grote modeontwerpers gewerkt. Loeki is een klein mager vrouwtje van een jaar of zeventig. Je kunt aan haar gebogen rug zien dat ze zich vele jaren over de naaimachine heeft gebogen. Ze moet vroeger een knappe vrouw zijn geweest. Nu heeft ze een gezicht als een gedroogd appeltje, zoveel rimpels dat haar ogen er helemaal in wegzakken. Ondanks haar verwardheid en haar houterige loop, ziet ze er chic uit, ze draagt mooie jurken, weliswaar van eenvoudige snit, maar wel van heel goede kwaliteit. Even later komt Loeki weer terug, ze zal wel vergeten zijn, waar ze naar toe wilde. Er komt meteen een ander paar schoenen aan, die naast haar stoppen, achter mijn tuinhek. Een paar Nikes en een wandelstok lopen samen met de hoge hakken verder, de wanderstok tikt de maat van de stappen.
'Wie was dat?' vraag je op een fluistertoon. 'Dat', zeg ik, 'was Agatha, de buurvrouw van Loeki'. Agatha is al ver in de tachtig en heeft een stok nodig bij het lopen. Klein en tenger met appelwangetjes in een bijna rimpelloos gezicht, lijkt ze een lief oud dametje. Maar dat is ze beslist niet, en als je naar haar felle blauwe ogen en haar kaarsrechte houding kijkt, vergeet je dat lieve en krijg je de indruk dat ze groot en stoer is. Nee, lief is ze nooit geweest, vertelt ze me, in 1934, ze was natuurlijk nog maar een kind, ging ze al met haar vader en broers mee naar de Jordaanoproer – het protest tegen de verlaging van steun aan werklozen. En dat was nog maar het begin, over de jaren heeft ze steeds meegedaan aan allerlei demonstraties, meestal samen met haar, nu overleden, echtgenoot. Haar blauwe ogen schitteren bij de herinnering, en ze zwaait vervaarlijk met haar wandelstok. Zelfs in de tuin ziet ze er sjiek uit met haar bontgekleurde sjaal om haar schouders en haar bruinfluwelen broek, en, weer of geen weer, altijd een geruit Burberry hoedje op haar hoofd. Ze vertrouwt me toe dat ze eigenlijk helemaal gaan Agatha heet, maar gewoon Nellie.
'Kaplaarzen?' vraag je, 'en een hond, een man die fluit?' 'Oh, dat zal Christiaan zijn, die gaat vissen', en nog voor ik uitgesproken ben, wordt er hard aan het hek gerammeld: 'Hoi buurvrouw, hoe gaat-ie?' 'Okido, en met jou?' 'Alles kits, ik ga een visje voor je verschalken.' 'Voor de katten dan!' maar Christiaan is al fluitend verder gelopen. Christiaan is de jongste bewoner van de straat. Hij is heel charmant, met een grote bos blond haar, dat slechts hier en daar wat grijs toont; met altijd een vriendelijke grijns op zijn gezicht, is hij eigenlijk een flirt. Ook zijn hond, Sjors, is blond, een mix met het lange haar van een Setter, ja, ook hij flirt met je. Samen maken ze dagelijks lange wandelingen. Na zo'n wandeling gaat Christiaan naar zijn vrijwilligerswerk, hij assisteert gehandicapte kinderen in het zwembad. Christiaan is het zonnetje in de buurt, alle vrouwen, en die zijn er hier in overvloed, proberen zijn aandacht te trekken, om even te genieten van zijn warme persoonlijkheid. Maar ook de weinige mannen praten graag met hem. Hij koestert iedereen en ook zijn oude auto, die in zijn achtertuin staat, en die hij verzorgt als een kind. Ieder vrij ogenblik poets en sleutelt hij aan dat oude wrak. Christiaan heeft altijd tijd om een klusje voor je te doen als je er zelf niet uitkomt. Hij wil graag voor je boren, timmeren of schroeven of als je wat te sjouwen hebt, hij is de man om te vragen. En altijd met een blijde glimlach, en gratis ook nog.
'Komen er altijd zoveel mensen langs, en hoe weet je zoveel over hen?' vraag je. 'Soms wel, er is hier verderop een kleine supermarkt, dus is er veel geloop. En ikzelf loop ook door de buurt, de mensen vinden het heerlijk om even te praten. Vergeet niet dat de meesten met pensioen zijn en veel tijd hebben.' 'Nooit gedacht, dat het hier zo gezellig is.' Ik ga naar binnen om nog een pot thee te zetten. Als ik terugkom, zeg je: 'Nu breekt mijn klomp, er kwamen een paar klompen langs, klepperde klep. Heb ik ooit!' 'O, dat is Jaantje, een boerenmeid van 68. Ze is trots op haar afkomst, vandaar die klompen. Ze heeft ook allerlei boerengroente in haar tuin staan, rabarber, kool, uien, bonen, bieten, zelfs aardappels.' Jaantje is de dochter van een Friese herenboer. Ze is weduwe geworden na een kort huwelijk, en is kinderloos en eenzaam. Ze heeft hoogblond haar (uit een flesje), een blozend gezicht ( van de couperose), fors gebouwd zoals het een boerendochter betaamt, boter, kaas en eieren. Ze is diabetes patiënt, die zich niet aan haar dieet houdt, ze lust wel een karbonaadje en drinkt 's middags instant soep, die, zoals we nu weten, vol suiker zit. Ze moet iedere dag spuiten, de wijkzuster komt de naalden voor haar klaar maken. Jaantje schrijft op contactadvertenties. De meest vreemde figuren vinden hun weg naar haar voordeur. Laatst stond er een oude man met een racefiets op de stoep, in kniekousen, korte broek, sweatshirt met capuchon en een pet op. De deur ging open en man en fiets verdwenen rap naar binnen. Niet dat Jaantje geheimzinnig doet over haar contacten, maar zo'n dure fiets kun je toch niet op straat laten staan! Vandaag staat er een klein mannetje voor haar deur, brilletje en hoedje op. Hij neemt de hoed af en belt aan. Ik zie het allemaal gebeuren want ik kom net aanlopen. De deur gaat open, daar staat Jaantje in al haar glorie, ze werpt één blik op de man, en zegt dan op hoge toon: 'U bent op het verkeerde adres, mijnheer de Wit, u heeft het verkeerde nummer', en met die woorden doet ze de deur met een klap dicht. Mijnheer de Wit, zoals ze hem noemde, draait zich naar mij om en zegt met een huilerige stem: 'Kom ik helemaal uit Hilversum, en ze wil me niet eens te woord staan, en nog zo'n mooie vrouw ook.' Tranen van teleurstelling staan in zijn ogen, hij neemt zijn bril af en veegt met de rug van zijn hand over zijn ogen. 'Tja, da's erg jammer voor u. Twee straten hierachter is een koffieshop, waar ze niet alleen wiet maar ook een gewoon kopje koffie verkopen, misschien heeft u daar behoefte aan.' 'Nee, nee nee', antwoordt hij, 'ik zal het manmoedig dragen en weer naar huis gaan, ik heb een retourtje.' Hij recht zijn rug, draait zich om en marcheert de straat uit.
Twee voeten in afgetrapte schoenen schuifelen voorbij. Het is de oudere man, die verderop woont. Klein, tenger, met een fijnbesneden gezicht met grijze bakkebaarden, lang grijs haar en een bril met een goudkleurig montuur, is hij niet de eerste de beste. Wie hij is en wat hij in zijn leven meegemaakt heeft is een diep geheim, want hij praat met niemand. Niemand weet hoe hij heet, hij is er altijd geweest, een intrigerende figuur. 'Je kunt hier wel detective worden', zeg je. 'wat weet je nog meer van deze man?' Het is opvallend, dat, ondanks alles, hoe tuk hij is op een praatje, hij is ongelooflijk nieuwsgierig. Als er iemand langs zijn huis loopt, komt hij meteen naar buiten, alsof hij achter de voordeur stond te wachten. Stopt er een auto in de straat, al is het drie huizen verderop, krijgen de buren naast of tegenover hem bezoek, hij is er als de kippen bij. Hij geeft standaard opmerkingen ten beste, een gesprek kun je het niet noemen. De vitrage is altijd dicht en ook de tuin onthult niets. Niemand heeft ooit gezien dat hij bezoek kreeg. In de betegelde voortuin staan alleen enkele tuinkabouters. De achtertuin is afgesloten met een schutting.
'Het is allemaal geweldig interessant', zeg je, 'en het is hier heerlijk in de zon, maar ik moet zo langzamerhand naar huis.' We drinken het laatste slokje van onze thee, knabbelen nog op een koekje, dan staan we op en lopen naar de voordeur. 'Ik kom volgende week weer terug, beslist.' ‘Kom dan wat vroeger, dan maak ik een lunch voor ons.’ ‘Ja, gezellig.’
‘Wat bof ik toch als ik hier kom, elke keer weer zon, het is heerlijk hier in je achtertuin. Hoe is het met de voetstappen langs je tuinhek, komen ze nog langs, de mensen, die hier in de buurt wonen?’ ‘Ja, dat gaat maar door, ik ga even onze lunch halen, en o, let op, daar komen de eerste voeten al.’ ‘Voetjes, zal je bedoelen, elegante kleine voetjes, met kleine hondenpootjes ook nog.’ ‘Ja, dat is Lieneke, met Kekkers, haar hondje. Iedere donderdagmiddag krijgt ze een dame op bezoek, een vrijwilligster, ze doen dan een spelletje en drinken een kopje thee met wat lekkers, dat ze nu gaat halen in de super.’ Lieneke is er erg blij mee: ‘Het geeft wat afleiding, nietwaar? Mijn zoon komt wel elke week, en de hulp ook, maar voor de rest ben ik alleen met mijn herinneringen.’ Haar zoon, een grote vriendelijke kerel, doet de boodschappen, hij draait de was voor haar, en doet een rondje met de stofzuiger. Lieneke, klein en kaarsrecht, ze is vroeger bij het ballet geweest, dat kun je aan haar houding zien. Nu is ze stijf, voor de rest van haar leven gevangen in die elegante, trotse houding van een danser. ‘Ja, lieverd,’ vertelt ze aan iedereen, die het horen wil, ‘zo red ik me nog best hoor, en een beetje tuinieren kan ook nog, met zo’n schoffel aan een lange steel, en met Kekkers wandelen iedere dag, ik moet in beweging blijven, weet je, voor mijn spieren,’ en dan laat ze een tinkelend lachje horen, alsof ze het zelf allemaal niet zo erg gelooft. Ze praat graag over vroeger, het trainen en de lange uren, het zweet en de pijn, die het ballet allemaal met zich meebracht. ‘Ja, mevrouw, het was dan zo mooi, die grote balletten, zo romantisch, de muziek, het toneel, de kleding, ondanks het harde werk dat er voor gedaan moest worden. Daar was me toch een drukte in die kleedkamers, met die lucht van zweet, van talkpoeder, make-up, haarlak. En werkelijk, het was wreed, dat trainen, zo’n pijn, onze arme tenen, je wilt ze niet zien, zo vervormd als ze zijn. En de vermoeidheid, en toch maar door gaan. We dansten in elke grote stad, maar veel zagen we daar niet van, het was maar trainen geblazen, maar zo goed met je collega’s. Hoewel er ook veel jaloezie was, over de rollen bijvoorbeeld. En bittere teleurstellingen. Maar de meeste herinneringen zijn mooi.’ Zo heb ik ook mijn man leren kennen, hij was al een paar keer naar de voorstelling geweest toen hij naar achteren kwam om me te ontmoeten. Nou, het was liefde op het eerste gezicht, en toen ben ik bij het ballet weggegaan en is mijn zoon geboren. Ook een heel mooi leven.’ ‘Ziet u die prachtige zwaan in mijn tuin? Die heeft mijn zoon laten maken als herinnering aan het Zwanenmeer dat ik zo vaak met mijn collega’s gedanst heb.’
‘Wat een heerlijke lunch heb je voor ons klaargemaakt, mmm, lekker die sla met feta en tomaatjes. O, kijk, wat is dat nou, krukken? Wat loopt die man moeilijk, zeg.’ ‘Dat is Theo, hij is ernstig gehandicapped, hij heeft niet alleen zijn linkerbeen verloren en heeft nu een kunstbeen, dat niet erg goed past, hij heeft ook twee by-passen en zijn ogen zijn erg slecht. Het was een zielig stel, zijn vrouw was een zachtmoedige figuur, een beetje tragisch en onder de plak van haar man. Zij heette Ria en is vorig jaar overleden. Ze ging twee keer per week naar het ziekenhuis om te dyaliseren. Verder kwam er ook een dame van de GGZ op bezoek omdat Ria een psychiatrische patient was. Ik ken die mensen eigenlijk niet, weet alleen wat ik van hun hulp gehoord heb. Lenie hoort eigenlijk niet over haar cliënten te praten, maar ze had het bij deze mensen zo moeilijk, dat ze haar hart moest uitstorten.’ ‘Want, zie je, Theo is een charmante man naar anderen toe, maar tegen zijn vrouw deed hij erg kleinerend. Niets kon Ria goed doen. Altijd maakte hij aanmerkingen, en de spanning in huis was om te snijden.’ Lenie had Ria al verscheidene keren op de grond in een hoek van de slaapkamer aangetroffen, waar de arme vrouw stilletjes zat te huilen. Nu Ria overleden is, woont Theo nog steeds in het huisje. ‘Dat zal wel moeilijk zijn voor hem, heeft hij nog steeds die Lenie?’ ‘Nee, die is weg, hij heeft nu een andere hulp.’
‘Ik zet even de borden in de keuken, dan kunnen we wel een eindje omlopen, wat denk je ervan?’ ‘Ja, dat lijkt me wel gezellig, dan kun je me meer vertellen over wie waar woont.’ ‘Hier verderop staat een huisje leeg,’ merk je op, ‘wie woonde daar?’ ‘Daar woonde Kees, hij is plotseling overleden aan een hartstilstand.’ ‘Dat is zeker wel spannend voor de buurt, zo’n leeg huis?’ ‘Dat is het want wie zal er nu komen wonen, of zoals Piet het zei: ‘Wie zal er nu neerstrijken?’ ‘Nou, hier op nummer 52, dat lege huisje, daar woonden Piet en Freina. Hij is nog niet zo lang geleden overleden. Freina bleef er nog een poosje wonen, tot ze niet meer alleen kon blijven. Piet was ver in de tachtig maar nog steeds aktief. Hij was zijn hele leven taxischauffeur geweest, en na zijn pensioen was hij erg betrokken bij de jongerenclub in Het Honk waar hij in het bestuur zat. Je kon hem ook in de soos van de badmintonclub vinden. Daar speelde hij nog graag een wedstrijdje. Hij was onvermoeibaar en zag er ook zo uit, met een scherp oog, lang, mager en pezig met een enthousiaste uitstraling. Freina liet hem maar begaan, dat je die man niet thuis kon houden, had ze al lang geleden ontdekt. Zijzelf zat ook niet de hele dag in huis, en ging naar koffieochtenden in het buurthuis, waar ze aardig wat afkwebbelde met andere dames van haar leeftijd. Ouwenelen, noemde Piet dat altijd. Op een zaterdagmiddag werd Freina gebeld door een van de jongens van Het Honk, die haar zei: ‘Mevrouw de Vries, uw man is niet goed geworden, en we hebben een ambulance laten komen. Hij ligt in het Vaartziekenhuis.’ Freina was helemaal van streek door deze boodschap en stond handen-wringend bij de telefoon: ‘O jé, o jé.. wat moet dat nou?.’ Gelukkig was haar dochter net op bezoek, dus die is met haar moeder meteen naar het ziekenhuis gegaan. Freina was helemaal van de kaart, die sterke Piet geveld! Piet was geen goede patiënt, ongeduldig en agressief. Toen hij eindelijk in een verzorgingshuis opgenomen werd, begon hij snel af te takelen, eerst werd er gedacht dat het door de medicijnen kwam, maar later bleek dat hij aan dementie leed. Freina werd ook steeds verwarder, en niet lang daarna werd ook zij opgenomen in een verzorgingstehuis.’ ‘Het zal wel een grote schok voor haar geweest zijn, haar hele leven overhoop toen haar man zo plotseling instortte, dat kan ik me wel begrijpen. Wonen ze in hetzelfde tehuis?’ ‘Dat weet ik eigenlijk niet. Als opgebrande kaarsen gaat het leven van die oudjes uit, en het huisje staat al een paar weken leeg. Ik weet niet of het al opnieuw verhuurd is, we zien het wel.’
‘Jeetje, wat staat daar nou!’ roep je verbaasd uit. We staan voor nummer 54. ‘Het is een totempaal.’ ‘En wat moet dat voorstellen?’Je wijst naar een dozijn grote keien: ‘Het lijkt de Stonehenge wel. ‘Merije, die hier woont, zegt dat ze in een vorige leven priesteres en in een ander leven heks is geweest.’ In dit leven echter, heeft ze niets van een heks, ze heeft een lief zacht gezicht en een mollig figuur. Die kenmerken breng je niet zo met heksen in verband. ‘Ben je wel eens binnen geweest? Hoe ziet het er binnen uit?’ vraag je nieuwsgierig. ‘Ja, ze heeft me een keer binnengevraagd voor een kopje thee. Het hele huis staat vol beeldjes, uit elke godsdienst die je je maar bedenken kan. Er zijn ook twee kleine altaren in de huiskamer, de ene voor Christus, de andere voor de Boeddha. Met aan de muren gebatikte doeken en fel gekleurde sari’s en mandela’s, droomvangers en lantarens uit duizend en een nacht. En overal dikke boeken op de grond en tarotkaarten.’ ‘Nou, dat is zeker een aparte vrouw, spannend, heeft ze ook een zwarte kat?’ ‘Ze heeft er zelfs drie.’ ‘Is ze een medium?’ ‘Nee, ze zegt van niet, ze leest je wel de hand, en ze heeft gezegd, dat ze hoog-gevoelig is.’ ‘Heeft je jou ook de hand gelezen?’ ‘Ja, en ze kwam met bepaalde dingen, die me werkelijk verbaasden.’ ‘O? Vertel eens?’ ‘Nee, dat ga ik niet doen, mijn geheimpje.’ ‘Ach, wat jammer nou, vertel verder, kreeg je kruidenthee met gebakken kakkelakken of zo, waar hebben jullie het over gehad?’ ‘Nou, de thee was gewone zwarte thee, ik kon kiezen, en ik heb het niet zo op kruidenthee. En nee, geen kakkerlakken, rare, gewoon koekjes. We hebben een interessant gesprek gehad over astologie, en toen heeft ze mijn hand gelezen hoewel ik dat wel een beetje eng vond.’ ‘Nou, als je toch niet wilt vertellen, wat ze in je hand gezien hebt, dan lopen we maar verder,’ klinkt het een beetje gepikeerd.
Als we de hoek omgaan, worden we bijna omver gelopen door twee enthousiaste Yorkshire terriers, ze lopen los en worden gevolgd door een klein vrouwtje met blond haar en felrode lippenstift, die roept: ‘Uit de weg, mensen, er komen een paar honden aan!!’ ‘Lieve help!’ roep je uit, ‘ik word gewoon omver gelopen!’ ‘Moet je daar ook niet lopen, mens!’ ‘Nou, zeg, die honden horen aan de lijn, weet u dat niet?’ ‘Niet dus,’ en de vrouw steekt haar tong tegen ons uit. ‘Dat mens is niet normaal,’ zeg je verontwaardigd. Ze krijgt als antwoord: ‘Ga uit de weg!’ en de vrouw zwaait heftig met haar vinger naar ons.
We lopen door. ‘Wat hoor ik daar? Het lijkt wel orgelmuziek.’ ‘Ja, dat is Frederick, hij speelt veel op zijn kamerorgel.’ ‘Maar dat zijn psalmen, als ik het goed heb.’ ‘Klopt, hij is erg godsdiensitg, soms denk ik dat hij graag priester had willen worden. Toen hij hier pas woonde, wilde hij nog wel eens een praatje maken, maar de laatste tijd doet hij net alsof we niet bestaan, mischien te min voor hem zijn.’ ‘Is er dan iets gebeurd? ‘Ik heb gehoord dat zijn enige dochter niet meer bij hem langs komt, misschien is dat het? Heeft hij zich helemaal op zijn geloof geworpen? Ik weet het niet.’ ‘Nou, in ieder geval kan hij goed spelen, en goed dat hij alles open heeft staan, zodat wij het kunnen horen.’
‘Kijk nou, wat een verliefd stelletje.’ Voor ons uit komen een vrouw en een man met een poedel het hek vanhun tuins uit. ‘Dat is Grietha met haar hond Max en haar vriend Bert.’ ‘Is hij echt jonger dan zij, of lijkt dat maar zo, misschien heb ik een bril nodig?’ ‘Nee, Grietha is een stuk ouder, nooit getrouwd geweest en geen kinderen, en toen ze een klusjesman nodig had, kwam Bert opdagen. Hij is zo’n twintig jaar jonger, maar zij schijnt dat niet erg te vinden.’ ‘Hij is leuk om te zien, woont hij bij haar? En doet hij nog steeds klusjes?’ ‘Dat vragen we ons ook af, er brandt ’s avonds wel licht op de bovenverdieping, maar zij slaapt in ieder geval beneden, ze zou de trap niet meer op kunnen met haar pijnlijke knieën.’ ‘Nou, wat ze ook hebben, ze schijnen heel gelukkig te zijn met elkaar, laat geluk, ik ben blij voor haar.’
‘Wie wonen daar?’ je wijst naar een groot flatgebouw dat vlak voor ons neus opdoemt. ‘Dat zijn seniorenflats, appartementen, daar woont de moeder van Christiaan.’ De moeder van Christiaan is een eigengereide vrouw, die weet wat ze wil. En dat is, om te beginnen, dat Christiaan ’s avonds bij haar komt eten. Dat is goed, maar als ze alsmaar wil, dat hij haar overal naartoe brengt of met haar gaat rijden, dan verzint hij wel eens een smoes. Laatst was Christiaan bij mij om een klus te doen. Toen hij klaar was, zaten we gezellig te kletsen bij een beker koffie. Zijn telefoon ging, ‘Met Christiaan.’ ‘Ja, met moeder, ben jij dat Christiaan?’ ‘Ja, moeder, met mij Christiaan.’ ‘Hallo Christiaan, ben jij dat? Ja met moeders. Kun je even komen, ik wil graag een ritje met je maken, in jouw auto.’ ‘Sorry, ik kan nu niet komen, ik ben in Heemveld.’ ‘O, ik dacht we kunnen wel een ritje maken, dat kunnen we toch doen, kom maar gauw hierheen. Kom nu meteen!’ ‘Nee, moeder, we kunnen niet gaan rijden, want ik ben niet hier.’ ‘Nou, dan kom ik wel naar jou toe.’ ‘Moeder, hoor je me niet? Ik ben in Heemveld, daar heb ik een klus.’ ‘Ik kom meteen naar je toe, blijf waar je bent, even mijn schoenen zoeken.’ Christiaan belt af en belt dan meteen iemand anders: ‘Hallo, Lia? Ja, moeder is weer in de war, ze staat op het punt om weg te gaan, zou jij even...?’ ‘Ja, natuurlijk, maak je geen zorgen. ‘Dank je wel.’ Hij kijkt mij aan: ‘Dat is haar buurvrouw, die over mijn moeder waakt, als ze met haar demente koppie moeilijk gaat doen, zoals nu.’ ‘Het lijkt me een hele zorg, kan ze wel alleen blijven wonen?’ ‘Ja, tot er iets fout gaat, dan wordt ze opgenomen.’
Als we weer thuis zijn en in de tuin zitten, wordt het hek opengeduwd en komt er een man met een pet op de tuin in wandelen. Hij heeft een mand bij zich vol groente. Hij is een echte tuinder met zijn bruine kop en zijn machester broek en geruit overhemd. Je kijkt verbaasd en vragend naar mij. Ik zeg: ‘Hoi, Jan, kom je me weer wat brengen?’ ‘Dat is Jan,’zeg ik tegen je, ‘ hij woont verderop en heeft een volkstuintje, iedereen krijgt van tijd op tijd wat van zijn groente.’ ‘Goh, wat heerlijk, verse groente,’ zeg je, als hij weer weg is.' ’Ja, en je mag er wel wat van hebben, hoor, kies maar uit waar je van houdt, bietjes, sla, bonen?’ Jan en Marijke wonen al geruime tijd in de Vaartstraat. In het begin moesten ze erg wennen, ze kwamen uit een ander dorp waar ze een veel groter huis hadden, indertijd waren de kinderen nog thuis natuurlijk. Met hun altijd goede humeur hebben ze van de verandering het beste gemaakt. Toen Marijke ziek werd, vonden ze het in dit huis toch wel erg prettig, want hier was alles op de begane grond. Marijke is vrij ernstig ziek, ze is bedlegerig, daarom staat er een bed in de huiskamer. Ze is altijd keurig gekleed in een mooi nachthemd, ze komt eigenlijk nooit van het bed af, maar zit wel elke dag een poosje op de rand met haar benen te zwaaien. Ziek? Nee, ze is niet ziek en schiet in een lach bij het idee, van het lachen krijgt ze een hoestbui waar ze bijna in stikt. Ze grijpt naar het masker van de zuurstoffles die naast haar bed staat. Het echtpaar is elkaar erg toegewijd, Jan zorgt goed voor zijn vrouw. Er komt wel iedere dag een wijkzuster om haar te wassen, en twee keer in de week een huishoudelijke hulp, maar Jan doet de boodschappen, kookt en wast. Hij zit altijd bij haar bed, waar hij kruiswoordpuzzels oplost, terwijl Marijke woordzoekers doet. Marijke vertelt graag van vroeger en ze heeft een groot gevoel voor humor. Jan vindt het allemaal wel goed. Het echtpaar heeft vier kinderen, die regelmatig op bezoek komen, en bedlegerig of niet, Marijke is de grootste lolschopper van het hele stel.
De buurtbewoners zijn niet echt nieuwsgierig, maar als er op een dag een groot aantal mensen voor de deur van een van de twee lege huisjes staat, gluurt menigeen door de gordijnen naar buiten. De huizen, die aan mijn kant van de straat staan, zijn op zicht, later wordt er dan door de woonmaatschappij beslist aan wie ze verhuurd gaan worden. Als we weer gaan wandelen, zien we dat in een van de huisjes, een schilder bezig is. Wat hij verder nog in huis doet, is niet te zien. Het andere huis blijft nog leeg. Een paar dagen later stopt een auto voor het huis en er twee dames stappen uit. Dan komt er een verhuiswagen de straat in rijden en stopt er ook voor de deur. Als de verhuizers klaar zijn, stapt een van de dames in haar auto maar we zien haar niet terugkomen. Maar ik had al gezien dat mijn nieuwe buurvrouw de auto achter parkeert, om met twee honden en twee kattenmandjes langs mijn hek naar haar huis te lopen. Je bent nieuwsgierig, en ik natuurlijk ook. In zo’n kleine gemeenschap is het slechts een kwestie van tijd voor je elkaar tegenkomt en een praatje maakt. Christiaan is de eerste die hen aanspreekt, hij woont immers recht tegenover hen. Als hij de vuilnisbak, die geleegd is, binnen gaat halen, is daar ook een van de nieuwe dames. Hij stelt zich voor, zij heet Annebel. Christiaan wordt meegetroond om met Fie, haar zus, kennis te maken, en met de honden en de katten. Annebel vertelt: ‘We zijn bij elkaar gaan wonen omdat het handiger is met van alles, en we graag gezelschap hebben. We hadden nog zeven zussen, twee zijn er overleden, de anderen zijn over de hele wereld verspreid. Een zus werkt nog steeds als missiezuster in Afrika. Ja, inderdaad een groot gezin, en we hadden altijd lol. Onze vader had een groot gevoel voor humor, Fie heeft dat van hem geërfd.’ Fie zit er stilletjes bij te knikken, ze laat haar zus het woord doen, ze mag dan gevoel voor humor hebben, het lijkt of ze liever stil is. ‘Fie, weet je nog dat Pa vertelde, dat toen we tieners waren, er altijd jongens achter de heg lagen te wachten op ons meiden? Dan kwam Pa naar buiten met de bezem om ze weg te jagen. Fietje hier wilde eens met een jongen op stap, daar moet ik plotseling aan denken, weet je het nog?’ Fie glimlacht bij de herinnering. ‘Je had gezegd, dat je naar een vriendin ging, maar onze Pa had het door, en ging achter je aan, greep je in je kraag, en die jongen zette het op een ren! We lagen slap van het lachen achter de vitrage.’ ‘Ja,’ zegt Fie ‘we sliepen allemaal op zolder, onder de dakpannen, je zag zo de hemel tussen de kieren door.’ Ondertussen heeft Christiaan een kop koffie gekregen met een koekje. Hij geniet van de verhalen. ‘Ja, en toen Ma vergeetachtig werd, wij waren toen allang het huis uit natuurlijk, ze ging maar naar die melkboer om pakken vla te kopen, altijd vanille vla en naar de groentenman voor andijvie. De hele koelkast zat vol met die vla, en ze had overal andijvie liggen, een grote krop in een tas en nog eentje in de wasbak in de bijkeuken, gesneden op de plank op het aanrecht, in de pannen op het gas. We zijn toen naar de melkboer en de groenteman gegaan om te zeggen, dat ze haar niets meer mochten verkopen.’ Christiaan staat op en zegt, dat hij weg moet, want hij ziet het al zitten: levensverhalen, daar kan je hele dagen mee vullen. ‘U moest ze eens op gaan schrijven,’ suggereert hij, ‘die verhalen, dan zal ik ze lezen.’
We lopen weer een blokje om en komen Gerritje tegen, die met haar hulp loopt te wandelen. Als ze ons ziet, staat ze stil om ons over haar overleden man te vertellen: ze zwaait met haar armen om aan te geven hoe geweldig hij wel was: ‘Ik heb maar één man gehad, en hij was niet te evenaren!!’ We volgen Gerritje en haar hulp, als ze verder lopen en gaan ook achterom, waar een paar dames op een bankje in de zon zitten. Als Gerritje hen ziet, loopt ze op hen af en begint ze weer haar overleden man aan te prijzen: ‘Ik heb maar één man gehad, en hij was niet te evenaren!!’ ‘Ja, ja,’ knikken de dames, en dan begint Gerritje weer opnieuw. Ik bewonder het geduld van de hulp.
We zijn weer thuis en zitten in de kamer want de lucht betrekt. ‘Het is interessant om die levensverhalen te horen,‘ zeg je. ‘Ja, en elk heeft haar of zijn eigen ervaringen. Zal ik de theepot nog eens vullen?’ ‘Ja, lekker, maar vertel verder.’ Gerritje doet me aan Henny denken, zij woonde in de straat hierachter. Haar hele jeugd zat ze onder de plak van haar strenge vader. Ja, ze waren gereformeerd, mochten nooit plezier maken, op zondag twee maal naar de kerk en verder niets. Eens ging ze met een vriendin naar een tentoonstelling op zondag, en tentoonstelling over suiker, heel leerzaam en niet frivool. Ze had thuis niets gezegd, maar haar vader kwam er toch achter, en toen had je de poppen aan het dansen. Ze trouwde vanuit huis, nooit zelfstandig gewoond of een baan gehad. Haar man had een baan als verzekeringsagent in de Wieringermeer, toen die net leeggemalen was. Hij nam ook een baan aan als koster in de kerk. Maar bepaalde taken van de koster, zoals het regelen van een bruiloft, of een doopfeest, dat alles kwam op haar neer. Tussentijds kreeg ze de ene na de andere baby, zonder dat haar man maar ook een beetje interesse had. Er was in die tijd veel kindersterfte, en haar kindjes waren geen uitzondering. Van de vele zwangerschappen is er maar een zoon blijven leven. Henny heeft altijd lang haar gehad, tot halverwege haar rug. De laatste tijd wordt het steeds moeilijker voor haar om het op te steken, want haar armen en handen zijn verstijfd. Maar afknippen, dat kan ze het niet. Dat mocht immers niet van haar vader en haar man? Maar die immers zijn allang dood? Maar toch. Als ze vijfentachtig is, begint ze te dementeren. Als ze meer en meer in het niets leeft, vergeet ze ook haar vader en haar man, en hun dominantie, en, de wonderen zijn de wereld nog niet uit: ze gaat naar de kapper! Ik heb haar nooit met kort haar gezien, er alleen over gehoord, want ze is kort erop opgenomen in de gesloten afdeling van een verzorgingstehuis.
‘En daar woont Mary, ze gaat volgende maand trouwen.’ ‘Trouwen, hoe oud is ze dan?’ ‘Haha, ze is al oud genoeg, zou ik zeggen, ze is pas 85 maar haar bruidegom is wat jonger, al weet ik niet precies hoeveel jonger.’ ‘Nog meer jong geluk dus, dat wordt zeker een groot buurtfeest met de krant en de burgermeester?’ ‘Ik denk het niet, ze is erg op zichzelf, hem ken ik eigenlijk alleen van zien.’
We lopen verder en gaan de straat in die dwars op de brede Vaartstraat staat. Hier zit altijd, behalve als het regent, een vriendelijke vrouw in haar voortuin. De stoel waar ze op zit, is groot, want Johanna is groot, met een boezem die doet denken aan de boeg van zo’n ouderwets slagschip. Ze loopt met moeite, maar als we eraan komen, gaat ze naar binnen om thee te zetten. ‘Johanna gaat thee zetten voor ons,’ zeg ik tegen je. ‘Geweldig,’ zeg je, 'voor ons?’ ‘Ja, dat doet ze voor mij ook altijd als ik een brief ga posten om de hoek.’ Johanna is al in de negentig en heeft het een en ander meegemaakt in haar leven: ze had een driftige en luidruchtige man, en drie even lawaaierige zoons. De zoons waren allemaal lid van een zwemclub, dat kwam, vertelt ze ons, omdat ze bij iedere zwangerschap naar het zwemuurtje voor zwangere vrouwen ging. Ze lacht om dat idee: misschien is het wel zo. Haar man Erik had een grote tweedehands boekwinkel. In de oorlog verstopte hij mensen in de kelder. Als de Duitsers binnenkwamen, had hij op het luik een grote stapel boeken staan, en hij zat er naast op een trapje. Er stonden trouwens overal boeken, op de grond en op planken, de winkel was ook altijd vol mensen. Hij nodigde zijn klanten uit mee naar boven te gaan, waar Johanna de koffie of de lunch klaar had staan. Er werd dan veel gedebatteerd over politiek, boeken en de vele nieuwe ideeën en idealen van die tijd. ‘Tja, ik heb een geweldig leven geahd,’ ze glimlacht bij de herinnering. ‘Die man van mij, dat was me er eentje, een echte scharrelaar, bracht allerlei interesante dingen mee naar huis. Hij wilde ook altijd overal naar toe. Zo hebben we verscheidene reisjes gemaakt. En altijd liep hij te wijzen: moet je dat eens zien, kijk daar eens!!’ ik werd er soms wel eens moe van, maar ik heb er veel van geleerd.’Het was een klap voor haar toen eerst haar man aan een hartstilstand overleed en daarna de oudste zoon, ook zijn hart. De jongste zoon, die eens kampioen waterpolospeler was, kreeg kanker en verliet gillend en tegenstribbelend de wereld. Johanna heeft drie zussen en drie broers overleefd. Gelukkig heeft ze nog haar tweede zoon en zijn vrouw en vijf kleinkinderen die haar regelmatig bezoeken. Ach, pijntje hier, pijntje daar, ze heeft van alles, maar ze is nog heel pienter. Zij is eigenlijk niet zo’n vertelster, nee, het is eerder andersom, ze hoort je uit. Hoe is dit en hoe zit dat? Als je antwoord hebt gegeven, is haar enig commentaar: ‘Zo zo.’ Dan wacht ze af, en geloof het of niet, jij gaat steeds meer vertellen. Zo, zo.
‘Woont hier niemand?’ vraag je, als we doorlopen en langs een huis komen met de gordijnen dicht. ‘Jawel, het is een klein vrouwtje en we weten alleen haar naam: Sofie.’ De buurvrouw, die de krant met haar deelt, belt regelmatig aan, omdat ze een oogje op het vrouwtje wil houden. Dan gaat de deur van het slot, van de twee knippen en opent op een kiertje, de veiligheidsketting blijft op zijn plaats. De krant kan er net door. ‘Alles goed met u, buurvrouw?’ Een gemompel is het enige antwoord en de deur gaat dicht. Maar Sofie moet wel boodschappen doen. Met veel tegenzin doet ze ’s middags voor Kerst haar lange jas aan, zet ze haar muts op en gaat ze met haar boodschappenkarretje op weg. Eerst de achterdeur, dan de poort op slot. Bij de verkeersplaats hangen een paar opgeschoten jongens rond, ze hebben zeker al van de Kerstborrel genipt, want ze lachen en schreeuwen uitgelaten. Sofie loopt voorbij, met neergeslagen ogen, dicht langs de schuttingen, diep weggedoken in de kraag van haar mantel. ‘Hé, opoe, kom es hier, dan krijg je een lekkere Kerstknuffel van mij!’ roept een van de jongens lachend. Sofie, met grote schrikogen, zet het op ’n lopen, de kar achter zich meetrekkend. Jolig gelach achtervolgt haar. In haar haast om weg te komen, struikelt ze over een uitstekende stoeptegel en pats, dat ligt ze. En blijft liggen, in elkaar krimpend van angst: daar komen ze! Een van de jongens, als ze zien dat de vrouw niet overeind komt, pakt zijn mobiel en belt het alarmnummer. De ambulance komt al gauw. Sofie durft haar ogen weer open te doen, er gebeurt niets, maar dan ziet ze vaag twee grote gestaltes op zich afkomen, gekleed in felle kleuren – ze stikt bijna. Ze hoort een zachte, sussende vrouwenstem, en voor ze het weet, ligt ze in de ambulance op weg naar het ziekenhuis. Politie komt ook nog om de jongens aan de tand te voelen, maar als ze overtuigd zijn, dat het vrouwtje niet gemolesteerd is, gaan zij eveneens weg. De jongens blijven achter met een gevoel van onbehagen. Sofie is weer thuis uit het ziekenhuis. De verzorgingsstaat komt in aktie. De voordeur is niet langer op slot, het hek en de achterdeur evenmin. De wijkzuster komt iedere dag, de huisdokter komt kennismaken, hij had het goede mens nog nooit gezien. De thuishulp gaat aan de slag, iemand van maatschappelijk werk komt op bezoek, de buurtvereniging, de apotheek, tafeltje-dek-je, de buurvrouw met de krant, Christiaan voor de boodschappen, wat een drukte is dat opeens! En zo wordt Sofie in de gemeenschap opgenomen maar echt meedoen, nee, daarvoor heeft ze te veel meegemaakt in haar leven.
|